Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgingsregeling van den 26stca September 1810 (waardoor de troon is toegekend aan de mannelijke nakomelingen van Karei XIV Johan, terwijl na het uitsterven van dit vorstenhuis de Volksvertegenwoordiging een nieuwen koning kan kiezen) en de verordening van drukpersvrijheid van den 6den Juni 1812. De koning is na het voleindigde 18de levensjaar meerderjarig. Deze, sedert den 8eten December 1907 Gustaaf V, moet den Lutherschen godsdienst belijden; hij voert het opperbevel over de land- en zeemacht, sluit tractaten en vredesverdragen en heeft het recht van gratie. De van hem uitgaande verordeningen moeten door het voordragend lid van den Staatsraad mede worden onderteekend. Zijne civiele lijst (1907: 1 581000 kronen), alsmede die der overige leden van het Koninklijk Huis, worden door den Rijksdag vastgesteld. De residentie is Stockholm. De Volksvertegenwoordiging vormt den Rijksdag, die uit twee Kamers bestaat. In 1909 werd een nieuwe wet, die het kiesrecht en de verkiesbaarheid voor de beide Kamers regelt, aangenomen. De Eerste Kamer bestaat uit 150 leden. Zij worden volgens den grondslag van de evenredige vertegenwoordiging gekozen door de landelijke besturen (Landstliingen) of door de gevolmachtigden van de steden, die niet aan de Landsthingen deelnemen, d. w. z. die minstens Vwo van de bevolking van hetgeheele rijk bevatten. Ook de afgevaardigden van de steden en de Landsthingen worden op den grondslag van de evenredige vertegenwoordiging gekozen. Voor de Eerste Kamer is ieder ingezetene verkiesbaar, die 35 jaar oud is en gedurende minstens 3 jaar grond bezeten heeft, waarvan de getaxeerde waarde minstens 50000 kronen bedraagt, of die gedurende dezen tijd voor een inkomen van minstens 3000 kronen belasting aan den staat heeft betaald. De kiesdistrikten zijn in 6 groepen verdeeld; ieder jaar worden er in een van deze groepen nieuwe verkiezingen gehouden. De leden worden voor 6 jaar gekozen. Voor elke zitting van den Rijksdag (van 4 maanden) ontvangt een lid 1200 kronen. Ook voor de Tweede Kamer, die 230 leden telt, geldt de evenredige vertegenwoordiging. Het aantal kiesdistrikten voor de Tweede Kamer bedraagt 56, ieder daarvan benoemt 3—7 afgevaardigden, n. 1. één voor 1/2s0 van de bevolking. De steden behooren met de omliggende streken meestal tot één distrikt, alleen de steden, die minstens 3 230 van de bevolking van het geheele rijk bevatten, vormen afzonderlijke kiesdistrikten. Ieder onbesproken Zweed ontvangt bij het begin van het kalenderjaar, waarin hij 25 jaar wordt, het kiesrecht; hiervan zijn alleen diegenen uitgesloten, die onder voogdij staan of in staat van faillissement verkeeren, voor zich zelf, hun vrouwen of minderjarige kinderen onderstand van het armbestuur ontvangen of schulden bij het armbestuur hebben, die gedurende de laatste jaren hun belastingen aan den staat of aan de gemeente niet hebben betaald of hun dienstplichten niet hebben vervuld. Een besluit, dat door de beide Kamers aangenomen is, wordt den koning voorgelegd en krijgt, wanneer hij daaraan zijn goedkeuring hecht, kracht van wet. Wanneer de beide Kamers niet tot overeenstemming geraken, wordt een wetsvoorstel in dezelfde zitting van den Rijksdag niet weer behandeld, behalve wanneer het betrekking heeft op de staatsuitgaven of op het bestuur, de inkomsten of de

uitgaven van de rijksbank en het kantoor voor staatsschulden. In dat geval worden de stemmen voor en tegen het besluit in beide Kamers samengesteld en geldt de meerderheid als besluit van den Rijksdag. De Rijksdag is belast met het beheer van de rijksbank en van het kantoor der staatsschulden; hij kan de raadslieden der Kroon in staat van beschuldiging stellen. Hij benoemt een gerechtelijken inspecteur (justitie-ombudsman), die toezicht houdt op de rechters en ambtenaren en de vrijheid der ingezetenen beschermt, verder benoemt hij voor elk jaar staatsrevisoren, die over het staatsbestuur verslag uitbrengen aan den Rijksdag. Daarenboven wordt elke stad door een gemeenteraad en elk lan door een provinciaal bestuur (Landsting volgens de wet van 21 Maart 1862) bestuurd. Dit laatste beraadslaagt en beslist over de aangelegenheden van het lan, n. 1. over de algemeene inrichting, de ontwikkeling van landbouw en nijverheid, de verbetering der middelen van verkeer, de zorg voor de gezondheid, het onderwijs, de algemeene veiligheid enz. Het Landsting komt telken jare in September in de hoofdstad van het lan bijeen en kan 6 dagen duren. De voorzitter wordt ieder jaar door den koning benoemd.

Het centraalpunt van het staatsbestuur is de Staatsraad of het ministerie, bestaande uit 11 leden (voor Justitie, Buitenlandsche Zaken, Binnenlandsche Zaken, Landbouw, Financiën, Oorlog, Marine en Eeredienst én drie zonder portefeuille), welke Zweedsche mannen van de Luthersche geloofsbelijdenis moeten zijn.

De oude verdeeling van Zweden in Götarike (Gotland), Svearike en Norrland en in landschappen of provinciën is verouderd, maar leeft nog in den mond van het volk. Thans is het rijk gesplitst in een opperstadhouderschap (Stockholm) en 26 lans, elk van deze wordt bestuurd door een gouverneur of commissaris (landshöfding). Ieder lan bestaat uit voogdijen (fögderier) en harader, welke aan de oostkust den naam dragen van skeppslag (schepengenootschappen), terwijl in de 6 noordelijke lans de tingslag (gerechtsgenootschappen) de harader vervangen. De steden (93 in getal) worden bestuurd door een magistraat met een burgemeester aan het hoofd, de landelijke gemeenten door een gemeenteraad (kommunal-namnd). Het hoogste gerechtshof is het tribunaal des konings (konungens högsta domstol), dat uit 18, door den koning benoemde leden bestaat. Er zijn 3 hoven van appèl, n. 1. het Sveahofgerecht te Stockholm voor Svearike, Norrland en Gotland, het Götahofgerecht te Jönköping en het hofgerecht voor Schonen en Blekinge te Christianstad. In eersten aanleg beslissen in de steden (eenige kleinere, die onder het landgerecht staan uitgezonderd) de raadhuisrechtbanken, op het land de haradsrechtbanken (120), waarvan men één in elk rechtsdistrikt (domsaga) vindt. Een haradsrechtbank bestaat uit een door den koning benoemden rechter en 12 bijzitters, die door de boeren uit hun midden worden gekozen. In persaangelegenheden wordt door een rechtbank van gezworenen beslist.

Volgens de begrooting voor 1910 bedragen de bewone inkomsten 36 225 000 kronen, de buitengewone inkomsten 172 900 000 kronen. De voornaamste posten hiervan waren (in millioenen kronen):

Sluiten