Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gewone inkomsten:

Telegrafie 12,5

Spoorwegen 9

Bosschen 9

Staatslanderijen 1,7

Buitengewone inkomsten:

Belastingen 57

Belasting op brandewijn 22,5

Post 22

Belasting op beetwortelsuiker .. 18

Algemeene inkomstenbelasting 30,9

Zegelbelasting 14,3

Met inbegrip van het saldo van de Rijksbank over 1908 en eenige kleinere posten rekende men de inkomsten op 228139 000 kronen. De uitgaven waren in millioenen kronen verdeeld als volgt:

Justitie 5,63

Buitenlandsche Zaken 1,64

Leger 57,37

Vloot 26,70

Binnenlandsche Zaken 52,02

Ministerie van Financiën 12,63

Onderwijs en Eeredienst 25,85

Ministerie voor Landbouw ... 11,70

Pensioenen 7,55

Daarbij komen de uitgaven voor de civiele lijst (1 913 000 kronen), voor de rijksschulden (19,04 millioen kronen) en de arbeidersongevallenverzekering (1,4 millioen kronen). De staatsschuld bedroeg in 1908 515 375 744 kronen. De inkomsten van de gemeenten, met inbegrip van de steden, bedroegen in 1907: 142 15 millioen kronen, de uitgaven 171,67 millioen kronen. Hun schuldenlast bedroeg 462,22 millioen kronen, hun actief 694,09 millioen kronen.

In de laatste jaren van de voorgaande en in het begin van deze eeuw zijn er een groot aantal sociale wetten tot stand gekomen, zooals die, welke betrekking heeft op de bescherming tegen gevaren in verschillende bedrijven (1889), die omtrent de ziekenfondsen (1891), over het werken van minderjarigen en vrouwen in fabrieken (1900) en de ongevallenwet (1901). In 1903 kwam tengevolge van de wet van 1901 een rijksverzekeringsinrichting tot stand, waarbij de werkgevers hun arbeiders tegen ongelukken konden verzekeren. Een wet op de ouderdomsverzekering wordt voorbereid.

Leger en vloot. Na de ontbinding van de unie met Noorwegen (zie aldaar) besloot de Rijksdag tot een nieuw plan van verdediging, dat in 1917 zijn beslag zal hebben gekregen. Tot dien tijd zijn verschillende overgangsbepalingen geldig. Het leger bestaat uit volontairs en contingent. Volontairs zijn aangeworven manschappen, die zich verbinden als gemeen soldaat tot hun 28s,e en als korporaal tot hun 32ste jaar te dienen; bij een voldoende ontwikkeling kunnen zij ook officier of reserveofficier worden. Het contingent wordt gevormd door het benoodigde deel van de dienstplichtigen. Er bestaat algemeene dienstplicht voor mannen tusschen 21—■ 40 jaar. De diensttijd omvat 8 jaar bij het staande leger, 4 jaar bij de landweer (het staande leger en de landweer vormen samen de bevaring) en 8 jaar bij den landstorm. De dienstplichtigen bij de eerste categorie van het leger (infanterie, positieartillerie, vestingartillerie, vestingingenieurstroepen, genees¬

kundige dienst en tros) dienen in vredestijd 240 dagen,en wel 150 dagen als recruut en in het2ae,3de en 4de jaar telkens 30 dagen voor de herhalingsoefeningen, bij de tweede categorie (cavalerie, veldartillerie, veldingenieurstroepen en veldtelegrafietroepen) duurt de dienst 365 dagen, en wel 281 dagen voor de recrutenschool en telkens 42 dagen voor herhalingsoefeningen in het 2tIe en 3de jaar. Iemand, die van den dienst vrijgesteld is, betaalt, wanneer zijn vermogen zulks toelaat, gedurende 12 jaar jaarlijks 6 kronen. De totale sterkte van het leger bedraagt: 28 regimenten infanterie met 8IV2 bataljons, 8 regimenten cavalerie met 50 escadrons, 6 regimenten veldartillerie met 19 afdeelingen en 57 batterijen, 1 regiment positieartillerie met 3 afdeelingen en 7 batterijen, 1 regiment vestingartillerie met 2 bataljons en 8 compagnieën, 4 geniecorpsen met 15 compagnieën en 6 treincorpsen met 19 compagnieën. In vredestijd telt het leger 2 293 officieren, 1805 onderofficieren, 1248 muzikanten, 15 321 manschappen, 571 geneesheeren, veeartsen en betaalmeesters en 10 298 paarden. In oorlogstijd kunnen ongeveer 430 000 man onder de wapens worden gebracht, n.1. bij de eerste oproeping 168 000 manschappen en 15 000 reservisten, bij de tweede oproeping 75 000 en bij den landstorm 172 000 man. Aan het hoofd van het leger staat de koning; hij wordt ondersteund door het ministerie van Oorlog, den generalen staf, den inspecteur van de cavalerie en de bevelhebbers van de 7 militaire distrikten. Er bestaat een hoogere krijgsschool te Stockholm voor de vorming van stafofficieren, een hoogeschool voor artilleristen en ingenieurs eveneens te Stockholm, een militaire school voor de infanterie te Karlsberg, een voor de cavalerie te Stockholm en een militaire hoofdcursus te Karlsberg. Vestingwerken heeft men te Göteborg, Karlskrona, Stockholm, Farösund en Boden.

De Zweedsche vloot, die in de oorlogen van de 16ae en 17ae eeuw zulke belangrijke overwinningen behaalde, geraakte na dit tijdperk van roem geheel in verval, sedert 1890 echter is zij veel verbeterd. In 1907 bestond zij uit 16 kustpantserschepen van 1500—4270 ton, 1 pantserkruiser (4060 ton), 7 pantserkanonneerbooten, 10 kanonneerbooten, 8 torpedokruisers van 400—800 ton, 19 groote en 13 kleine torpedobooten, 1 onderzeeboot, 1 koninklijk jacht, 1 chefvaartuig en 7 schoolschepen. Het personeel bestaat sedert 1875 uit de koninklijke vloot, de reserve en de zeemacht (sjöbevaring); het omvat ongeveer 200 officieren, 80 ingenieurs, geneeskundigen en ambtenaren, 300 onderofficieren, 2700 man¬

schappen,4U0 scheepsjongens en 20 000 man sjöbevaring.

Wapew, Vlag en Ridderorden. Het Zweedsche rijkswapen is een blauw,door twee

gouden, gekroonde leeuwen met dubbele staarten vastgehouden schild, gevierendeeld door een smal, gouden kruis.In de velden aan de linker hand boven

en aan de rechterhand benedenheef t menhet Zweedsche wapen, (drie kronen) en in de andere twee het

Wapen van Zweden.

Sluiten