Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gotische, een over drie zilveren rivieren springenden gouden, gekroonden leeuw met een dubbelen staart; het middenschild vertoont de wapens van de huizen Wasa en Pontecorvo. Het gouden devies op een blauw lint luidt: „Brödra-Folkens Val." De landskieuren zijn blauw en geel. De vlag is blauw, door een geel, staand kruis gevierendeeld. Zweden bezit 5 ridderorden n. 1.: de Serafijnorde (gesticht in 1285, hersteld in 1748), de Zwaardorde, de Noordsterorde (beide in 1748 gesticht), de Wasaorde (1772 gesticht) en de orde van Karei XIII.

Geschiedenis. De oudste geschiedenis van Zweden bestaat evenals die van geheel Skandinavië, voor het grootste gedeelte uit sagen en overleveringen. De oorspronkelijke Finsche bevolking werd door krijgshaftige Germaansclie stammen allengs naar het noorden gedreven. In het zuidelijk gedeelte van het land, in Schonen en Gotland, vestigden zich voornamelijk Goten, terwijl zij, die zich aan het Malarmeer vestigden en zich van hier over de noordelijke en zuidelijke kustgewesten verspreidden, den naam droegen van Svea (Zweden). Beide stammen hadden een gemeenschappelijk heiligdom te Sigtuna aan het Malarmeer en later te Upsala. Onder het bewind van een opperkoning uit het geslacht der Ynglinger, tevens hoogepriester en voorzitter der volksvergadering (alljarharthing) te Upsala, stonden gewestelijke koningen aan het hoofd der jylken (stammen), waardoor de macht van eerstgenoemde meer en meer beperkt werd. Reeds in het begin van hun geschiedenis hebben de Zweden onderling en met hun naburen vele oorlogen gevoerd. Aan de Skandinavische veroveringstochten sedert de 9116 eeuw n. Chr. namen vele Zweedsche vikingers deel. Omstreeks dezen tijd werd het Christendom in Zweden ingevoerd. Björn de Oude (f 935) en zijn zoon, Erik de Zegepralende, volhardden in het oude geloof, dosh Olaf Skötkonung, een zoon van den laatste, ging in 1008 tot het Christendom over, dat zich na dien tijd in Götaland snel uitbreidde. Niettemin hield het Heidendom nog geruimen tijd stand in Svealand. Toen met Olafs tweeden zoon Edmund Gammal (de Oude) in 1060 het vorstenhuis in de mannelijke lijn uitstierf, werd hij opgevolgd door zijn schoonzoon Stenkil,onder wien het eerste Zweedsehe bisdom (Skara) werd gesticht. Na zijn dood ontstonden twisten over de opvolging, die ten gunste van zijn zoons Halsten en Erik eindigden. Onder hen werd in het laatst van de llde eeuw ook het Christendom in Svealand ingevoerd. Nadat het geslacht van Stenkil omstreeks 1125 uitgestorven was, kwamen twee vijandelijke dynastieën aan het bewind. Sverker I, afkomstig uit Götaland, die zich door de regeling van de kerkelijke aangelegenheden verdienstelijk maakte (1152), moest in 1150 het bestuur over Svealand overlaten aan den aldaar geboren Erik IX, die later den bijnaam de Heilige ontving en als Zwedens beschermheilige wordt vereerd. Omstreeks 1157 onderwierp hij een deel van Finland, dat vervolgens tot het Christendom werd bekeerd. Erik werd den 18aen Mei 1160 door een kroonpretendent, den Deenschen prins Magnus Henriksson overrompeld, gevangen genomen en onthoofd,die echter in het volgende jaar eveneens werd gedood. Onder zijn opvolger Karei VII, den zoon van Sverker, verkreeg Zweden in 1164 een aartsbisschop, die te Upsala zetelde. In 1167 kwam Knoet, de zoon van Erik den Heilige, terug uit Noorwegen, waarheen

hij gevlucht was, behaalde met de hem vergezellende legermacht de overwinning, doodde met behulp van de Uplanders koning Karei en regeerde tot aan zijn dood (1195), waarna Sverker II, een zoon van Karei, de heerschappij verkreeg. Hij werd in 1208 door Erik X, een zoon van Knoet bij Lena verslagen en verloor in 1210 in een tweeden veldslag bij Gestilren het leven.OnderEni X en zijn opvolgers kreeg de geestelijkheid veel macht, vooral toen op de kerkvergadering te Skeninge (1248) het celibaat ingevoerd en de keuze van de bisschoppen aan de domkapittels opgedragen werd. Het geslacht van Sverker stierf in 1222 uit met Johan I. De laatste koning uit het geslacht van Erik was Erik XI. Bij de voortdurende oneenigheden tusschen de beide vorstenhuizen hadden sommige geslachten uit den ouden adel grooten invloed verkregen, vooral ook daar zij zich van de hoogste geestelijke waardigheden meester maakten. Van deze geslachten bezat weldra dat der Folkunger de meeste macht, terwijl het tevens in het bezit was van den titel van jarl (earl). Een van hen, Birger genaamd, gehuwd met Ingeborg, de zuster van Erik XI, was onder dezen koning eigenlijk de regent van Zweden. Na Eriks dood (1250) kozen de Zweedsche grooten Waldemar, den nog minderjarigen, oudsten zoon van Birger, tot koning terwijl Birger als regent den meesten invloed behield. Birger deed in 1249 een nieuwen kruistocht naar Finland, hij bracht een algemeenen lands- enkerkvrede tot stand, sloot handels verbintenissen met sommige Hansesteden, versterkte Stockholm enz. Hij overleed omstreeks 1266. In 1279 kwam een van zijn zoons, hertog Magnus van Södermanland, in verzet tegen Waldemar en werd daarop te Upsala tot „koning van de Zweden en Goten" gekroond. Hij beschermde de boeren tegen de geweldenarijen van den adel, zoodat hij den eerenaam van Ladulas (Schurenslot) verkreeg, en begunstigde de geestelijkheid. Vóór zijn dood (18 December 1290) benoemde hij den maarschalk Torkei Knoetsson tot voogd over zijn minderjarigen opvolger Birger. Torkei bracht in 1293 Finland tot onderwerping. In 1306 werd hij op aandringen van de jongere broeders van den koning ter dood gebracht, daarna namen laatstgenoemden den koning verraderlijk gevangen en dwongen hem het rijk te verdeelen (1310). In 1317 nam Birger hierover wraak, door zijn broeders, die hem te Nyköping bezochten, gevangen te laten nemen en den hongerdood te laten sterven. Daarover kwam het geheele land in opstand onder aanvoering van Mats Kettilmundson-, de koning werd verdreven en zijn minderjarige zoon gedood, terwijl Magnus,de driejarige zoon van Erik, op de weide bij den Mornstein te Upsala tot koning werd uitgeroepen (1319). Tevens kwam Noorwegen aan Magnus als nalatenschap van zijn grootvader van moederszijde Haakon. In 1332 aanvaardde Magnus II Erikson zelf de regeering. Hij liet een wetboek vervaardigen (1357) en kwam tijdelijk in het bezit van de Deensche provincies Schonen, Blekinge en Halland. In 1343 moest hij Noorwegen aan zijn zoon Haakon afstaan, in 1357 een deel van Zweden aan zijn zoon Erik XII. Na Eriks dood (1359) werd hij weder alleenheerscher in Zweden, in 1362 nam hij zijn zoon Haakon VI van Noorwegen als mederegent en bondgenoot aan. Hij geraakte echter weldra opnieuw in strijd met zijn onderdanen, die in 1364 zijn zusters zoon, Albreeht van Mecklen-

Sluiten