Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burg, tot heersclier aannamen. In den slag bij Enköping (1365) werd Magnus gevangen genomen en herkreeg eerst in 1371 door het afstaan van de Zweedsche kroon zijn vrijheid, waarna hij naar Noorwegen trok en zich in de nabijheid van Bergen verdronk (1374). Met hem nam het geslacht der Folkunger in Zweden een einde.

Albrecht was slechts koning in naam, het gezag bevond zich geheel in handen der aanzienlijken. Toen de koning in 1386 na het overlijden van den invloedrijken waardigheidsbekleeder Bo J onsson een gedeelte der rijksdomeinen terugvorderde van den adel, die zich daarvan had meester gemaakt, werd hem in 1388 door de aanzienlijken de gehoorzaamheid opgezegd, waarna zij de Zweedsche koningskroon aanboden aan Margaretha, de dochter van Waldemar, koning van Denemarken en de weduwe van Haakon VI van Noorwegen. Albrecht leed in den slag bij Falköping (1389) de nederlaag, werd gevangen genomen en moest na een zesjarig verblijf in de gevangenis afstand doen van de Zweedsche kroon. Margaretha werd nu algemeen als koningin erkend en haar achterneef Erik XIII de Pommer, die reeds tot troonopvolger in Denemarken en Noorwegen gekozen was, werd den ll<ien juü 1396 door den Zweedschen Rijksdag eveneens tot troonopvolger in Zweden gekozen en den 20etcn Juli 1397 te Kalmar gekroond. Hier werd tevens de bekende Unie gesloten, welke de drie Noordsche rijken vereenigde. Na den dood van Margaretha (1412) kwam Erik aan het bewind, die zich bij zijn volk zeer gehaat maakte, zoodat in 1434 een volksopstand onder aanvoering van Engelbrekt Engelbrektsson ontstond. Deze werd in 1435 op den Rijksdag te Arboga, waar behalve de edelen en praelaten voor het eerst ook burgers en boeren verschenen, tot rijksbestuurder benoemd. Hij werd echter reeds in 1436 vermoord en opgevolgd door Iiarel Knoetsson, uit het huis Bonde. In September 1439 werd Erik afgezet en zijn zusters zoon Christoffel van Beieren, die reeds in Denemarken de Kroon aanvaard had, den 4éen October 1440 ook door den Zweedschen Rijksdag tot koning gekozen. Hij voerde een verbeterd algemeen wetboek in Zweden in (1442). Toen hij in 1448 kinderloos overleed, werd Iiarel Knoetsson in Juni te Stockholm door het volk en den lageren adel, in strijd met den wil van de geestelijkheid en van den hoogeren adel, tot koning van Zweden uitgeroepen en in 1449 ook tot koning van Noorwegen gekozen en gekroond. Maar dit laatste ging reeds in 1450 voor hem verloren en de nieuwe koning van Denemarken, Christiaan I van Oldenburg, deed in 1452 met een leger een inval in Zweden, waar hij in de vijanden van Karei, de invloedrijke grooten en vooral in den aartsbisschop van Upsala Jons Bengisson Oxenstierna, ijverige aanhangers vond. Na een vreeselijken oorlog, nam Karei, door het volk verlaten, de vlucht naar Dantzig, waarna Christiaan den 29sten Juni 1457 in den dom de Kroon ontving, waardoor de Unie van Kalmar hersteld werd. Cl 1464 werd Karei, nadat Christiaan afgezet was, opnieuw tot koning uitgeroepen, hij kon zijn macht echter slechts gedurende korten tijd handhaven. In 1471 werd Sten Sture op den Rijksdag te Arboga door het volk tot rijksbestuurder gekozen, hij behaalde den 10den October van dat jaar bij den Brunkeberg de overwinning op Christiaan I, waarop deze de wijk nam naar Denemarken. Daarmede

namen de binnenlandsche onlusten voorloopig een einde. Weliswaar erkenden de geestelijkheid en een deel van den adel in 1483 bij het Recès van Kalmar Johan II, een zoon van Christiaan, als koning. Deze bleef echter slechts korten tijd in liet bezit van den troon. Sten Sture overleed in 1503, hij werd in de waardigheid van rijksbestuurder opgevolgd door zijn bloedverwant Svante Nilsson Sture, die zich eveneens met kracht tegen alle aanspraken der Denen op de opperheerschappij verzette. Daar hij bij het volk zeer bemind was, werd na zijn dood (1512) zijn eenige zoon, Sten Sture de Jongere, tegen den zin van den hoogen adel tot rijksbestuurder benoemd. Zijn vijanden, onder aanvoering van den aartsbisschop van Upsala, Gustaaj Trolle, riepen na eenige jaren Christiaan II, koning van Denemarken en Noorwegen, in het land. Deze leed den 228ten Juli 1518 bij Brannkyrka een beslissende nederlaag, doch behaalde den 19den Januari 1520 bij Bogesund een overwinning op Sture, die op de vlucht aan zijn wonden overleed. Nadat Stockholm zich overgegeven had, werd Christiaan tot erfelijk koning van Zweden gekroond. De wreedheid echter, waarmee hij alle tegenstanders van de Unie ter dood liet brengen, eerst te Stockholm (Stockholmer bloedbad 8 November), later ook in de provinciën, maakte, dat er aan de Deensche heerschappij weldra een einde kwam. Gustaaj Eriksson IVasa, een zusterszoon van Sten Sture den Oudere, die aan het bloedbad had weten te ontsnappen, verzamelde bij de vrijheidlievende en dappere inwoners van Dalekarlië een leger en verjoeg de Denen. Nadat hij in 1521 teWadstena tot rijksbestuurder en in 1523 te Strengnas tot koning gekozen was en het geheele land veroverd had, werd in 1524 bij het Recès te Malmö met Denemarken de Unie van Kalmar voor altijd vernietigd. De nieuwe beheerscher was i.it godsdienstige en staatskundige overwegingen een tegenstander van de Katholieke hiërarchie. Hij liet den Bijbel vertalen, stond toe, dat Luthersche predikanten hun dienst verrichtten en bewerkte op den Rijksdag te Wester&s (1527), waar ook vertegenwoordigers uit den burger- en boerenstand en uit de mijndistrikten toegelaten waren, dat de Hervorming werd ingevoerd. Tevens werd aan den koning de vrije beschikking over de goederen van kloosters en kerken toegestaan, terwijl daarvan ook een gedeelte te beurt viel aan den adel.De koning had o.a. te strijden tegen den adel in West-Gotland, tegen het volk in Smüland, door Nils Dacke op een dwaalspoor gebracht, tegen Christiaan II, die, uit Denemarken verdreven, zich naar Noorwegen begaf en pogingen aanwendde, het verloren rijksgebied te herwinnen, tegen de inwoners van Lübeck, die overmoedig waren geworden door de hun verleende onbeperkte handelsvrijheid, en tegen de Russen. Maar hij overwon alle moeilijkheden en bewerkte zelfs op den Rijksdag te Wester&s (1544) dat de troon erfelijk werd in zijn geslacht. De Kroondomeinen werden aanmerkelijk vermeerderd, het recht op de voor hem bestemde inkomsten werd door den koning gehandhaafd en de belastingen werden geregeld, zoodat er middelen beschikbaar kwamen tot het vormen van een geduchte krijgsmacht en tot het bouwen van een oorlogsvloot. Landbouw, mijnontginning, handel en nijverheid kwamen weldra tot bloei. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn oudsten zoon, Erik XIV (1560—1568), terwijl de

Sluiten