Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongere zonen uitgestrekte landen als leenvorstendommen verkregen onder de souvereinitieit van Erik, namelijk Johan Finland, Magnus Oost-Gotland en Karei Södermanland. Eniwaseen begaafd man, doch gebmikte dikwijls gewelddadige middelen om zijn doel te bereiken. Hij onderwierp in 1561 Esthland aan de opperheerschappij van Zweden. Tegen Denemarken, Polen en Lübeck voerde hij een kostbaren, maar nutteloozen oorlog. Met zijn broeders, wier rechten hij in 1561 door de Arboga-artikelen beperkte, geraakte hij weldra in strijd. In 1567 openbaarden zich bij hem vlagen van krankzinnigheid. In 1568 werd hij door zijn broeders Johan, dien hij uit wantrouwen vier jaar gevangen had gehouden, en Karei van den troon gestooten en in de gevangenis geworpen, waar men hem in 1577 ombracht door vergif. Hij werd opgevolgd (1569—1592) door Johan 111, onder wien de adel en het Roomsch-Katliolicisme weder meer macht kregen. Hij voerde een ongelukkigen oorlog met Rusland. Sigismund, de zoon van Johan, was openlijk tot de R. Katholieke Kerk overgegaan en reeds in 1587 tot koning van Polen gekozen. Wèl moest deze bij het aanvaarden der Zweedsche kroon (1594) de belofte afleggen, dat hij de Protestantsche leer in zijn rijk zou beschermen, maar hij brak zijn woord, begunstigde den adel om bij dezen steun te vinden en maakte zich door zijn R. Katholieke geestdrijverij gehaat bij het volk, zoodat het zijn Protestantschen oom, hertog Karei van Södermanland gemakkelijk viel, hem van den troon te stooten. Nadat deze reeds in 1595 tot rijksbestuurder was benoemd, versloeg hij in 1598 zijn neef, die den Zweedschen troon gewapenderhand wilde heroveren, den 28sten September bij St&ngebro, waarna Sigismund in 1599 vervallen verklaard en Karei tot regeerend erfvorst des rijks en in 1604 tot koning benoemd en onder den naam vanKarellX (1604—1611) gekroond werd. Hij bevestigde de Luthersche Kerk, strafte de pogingen der aristocratie tot het herkrijgen van den voormaligen invloed met bloedige gestrengheid en maakte zich door een doelmatig bestuur, door het stichten van onderscheiden steden en door bevordering der mijnontginning zeer verdienstelijk jegens het volk. Bij zijn dood (1611) was Zweden in een oorlog met Rusland en Polen gewikkeld, waarbij nog een gevaarlijke oorlog tegen Denemarken kwam. Guslaaf 11 Adolf, (1611— 1632), de zoon van Karei IX,sloot in 1613 vrede met Denemarken, kreeg in 1617 van de Russen Karelië en Ingermanland en dwong na een langdurigen strijd zijn neef Sigismund van Polen in 1629 hem Lijfland en een aantal zeesteden in Pruisen af te staan. Ook met betrekking tot het binnenlandsch bestuur was zijn regeering voor Zweden van groot belang. Hij bevorderde de beschaving, regelde het bestuur, zorgde voor de ontwikkeling van handel en nijverheid, voerde een nieuwe wijze van procedeeren in, verbeterde de rechterlijke organisatie, verzoende den adel door verschillende voorrechten met zijn bewind en bewerkte door de Rijksdagregeling van 1617, dat de vertegenwoordiging van de vier standen (adel, geestelijkheid, burgers en boeren) werd geregeld. Zoo had de koning met behulp van zijn rijkskanselier Oxenstierna in korten tijd een bloeiend Noordsch rijk met een krachtig leger geschapen. Toen hij met toestemming van den Rijksdag in 1630 den oorlog ondernam in Duitschland tegen het R. Katholieke vorstenhuis Habsburg, wilde hij niet al¬

leen het bedreigde Protestantisme redden, dat op het nauwst verbonden was met het bestaan van den Zweedschen koningstroon, maar ook het gezag van Zweden versterken. Zijn overwinningen in den Dertigjarigen Oorlog deden het plan ontstaan, ook de Duitsche landen om de Oostzee te veroveren en de Protestantsche landen tot een verbond onder hegemonie van Zweden te vereenigen. Zijn heldendood bij Lützen (16 November 1632) maakte wel is waar plotseling een einde aan deze grootsche plannen, maar ook onder zijn opvolgster, de vijfjarige Christina (1632—1654), werd door de schrandere leiding van Oxenstierna en door den gelukkigen afloop van den oorlog met Denemarken, het gezag van Zweden als de machtigste militaire staat in Europa gehandhaafd. Bij den Vrede van Brömsebro (1645) ontving Zweden, ten koste van Denemarken, Jemtland en Herjeadalen, de eilanden Gotland en Oesel, benevens Halland voor den tijd van 30 jaren en werden de Zweedsche schepen ontheven van denSondtol. Verder verschafte de Vrede van Munster aan Zweden VóórPommeren en Rügen, een gedeelte van Achter-Pommeren,Wismar en de bisdommen Bremen en Verden, benevens eenige voorrechten. Zweden was ook in het bezit gekomen van een aantal overzeesche koloniën o. a. van Nieuw-Zweden aan de Delaware (1638 —1655) en Cabo Corso aan de kust van Guinea (1650 —1653). In het binnenland werd de toestand langzamerhand minder gunstig door den toenemenden invloed van den adel, tengevolge van de langdurige voogdijregeering (tot 1644), de invoering van een nieuwen regeeringsvorm (1634), de schenking of den verkoop van kroongoederen aan den adel enz. Christina deed in Juni 1654 afstand van de regeering ten behoeve van haar neef Karei X Guslaaf (1654-1660), paltsgraaf van Tweebruggen, den zoon van een halfzuster van Gustaaf Adolf en van den paltsgraaf Johan Kasimir van Tweebruggen, die reeds in 1649 tot haar opvolger was benoemd. Karei verklaarde in 1655 den oorlog aan Johan Kasimir van Polen, die hem niet als koning wilde erkennen. Hij drong ver in Polen door en behaalde in 1656 met behulp van Brandenburg een schitterende overwinning bij Warschau. Sedert 1657 voerde hij oorlog met Polen, Denemarken, Oostenrijk, Rusland, Nederland en Brandenburg. Door zijn beroemden tocht over de bevroren Groote en Kleine Belt dwong hij de Denen bij den Vrede van Roeskilde (8 Maart 1658) Schonen, Halland, Blekinge, Bohus, het bisdom Drontheim en de eilanden Hven en Bornholm aan Zweden af te staan. In het vervolg van den oorlog streed hij echter minder gelukkig. Na zijn plotselingen dood(23 Februari 1660) werd voor zijn vierjarigen zoon Karel XI een regentschap benoemd, bestaande uit de koningin-weduwe, de 5 hoogste rijksambtenaren, van wie de rijkskanselier graaf Magnus de la Gardie en de rijksdrost graaf Pehr Brahe den meesten invloed hadden, en den Rijksraad. Dit regentschap bracht den 3"1611 Mei 1660 den Vrede van Oliva tot stand, waarbij de koning van Polen zijn rechten op de kroon van Zweden liet varen en het eigendomsrecht van Zweden op Lijfland erkende. Met Denemarken sloot de Zweedsche regeering den 26sten Juni den Vrede van Kopenhagen, waarbij Drontheim en Bornholm tot Denemarken terugkeerden. Met Rusland kwam in 1661 de Vrede van Kardis tot stand, waarbij de grenzen van 1617 werden hersteld. Door de oneenigheid en het eigenbelang van de re.

Sluiten