Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwesties van de binnenlandsche politiek was nog steeds de reorganisatie van het leger, waartoe de Boerenpartij alleen wilde medewerken, wanneer daaraan een opheffing van de grondlasten voorafging. Terwijl in 1875 tot een verbetering van de vloot besloten werd, werd eerst de legerwet van De Geer, daarna die van Posse verworpen. In 1885 gelukte het den minister-president Themptander den algemeenen actieven dienstplicht met 12 dagen te verlengen, waarvoor de regeering echter afstand moest doen van de militaire grondlasten. Eerst door het dreigende conflict met Noorwegen kwam het legervraagstuk tot een oplossing. Nadat in 1892 het voorstel van minister Rappe tot verlenging van den oefeningstijd van 42 tot 90 dagen en tot een geleidelijke opheffing van de militaire grondlasten door een buitengewonen Rijksdag was'aangenomen, kwam er in 1901 tusschen de beide Kamers en het Kabinet Otter een verdrag tot stand, waarbij besloten werd een volledige hervorming van leger en vloot in te voeren. Ook stond de Rijksdag achtereenvolgens een crediet van eenige honderden millioen kronen toe voor de verbetering van oude vestingen, den aanbouw van nieuwe vestingen, den aanleg van uit een strategisch oogpunt belangrijke spoorwegen, den aankoop van ammunitie, geweren, geschut enz. Naast het legervraagstuk hield sedert 1878 de tariefwetgevingden Rijksdag bezig.Onder de regeering van Karei XV en in het begin der regeering van Oscarll hadden de voorstanders van den vrijen handel de meerderheid in den Rijksdag gehad. Nadat in 1887 de protectionisten de overhand hadden gekregen, werd in 1888 het ministerie Themptander door het gematigd protectionistisch Kabinet Bildt vervangen. Een ontwerp omtrent invoerrechten op produkten van landbouw en nijverheid werd onmiddellijk ingediend en door de beide Kamers aangenomen. Ook de opvolgers van Bildt volgden in het algemeen het stelsel vanbeschermende rechten, vooral sedert de oprichting van het Agrarisch Verbond (1895), dat de regeering bij alle belangrijke vragen ondersteunde.

De grootste moeilijkheid baarde de verhouding tot Noorwegen (zie aldaar). In 1895 werd er, vooral door toedoen van Boström, sedert 1891 ministerpresident, en van Douglas, die in 1895 Lewenhaupt als minister van Buitenlandsche Zaken verving, een gemeenschappelijk comité gevormd, dat de rijksacte zou herzien. Dit comité werd echter in 1898 ontbonden, zonder dat het iets had uitgewerkt, en in 1899 nam Douglas zijn ontslag. Zijn opvolger Lagerheim, die tot 1904 minister bleef, trachtte een toenadering te bewerken, wat aanvankelijk gelukte, tengevolge van een andere partijverhouding in Noorwegen en de russificeering van Finland. De toenadering was echter niet van langen duur, en de voorstellen, die minister Ramstedt, de opvolger van Boström als minister-president (April 1905), omtrent een nieuwe regeling van de Unieaangelegenheden deed, brachten geen verzoening te weeg. Den 7den Juni nam het Noorweegsche Storthing het besluit, waarbij de koning afgezet en de Unie ontbonden werd verklaard. De troon van Noorwegen werd aan een jongeren prins uit het Huis Bernadotte aangeboden. De koning protesteerde, weigerde de candidatuur Bernadotte en riep tegen den 20sten Juni een buitengewonen Rijksdag bijeen. De Rijksdag gaf als zijn meening te kennen, dat de voorstellen van

Ramstedt strijdig waren met de nationale eer van Zweden, en beantwoordde de opheffing van het Unieverdrag door Noorwegen met een dreigend ultimatum. Het conservatief liberaal coalitieministerie Lundeberg, dat het Kabinet Ramstedt den 3d™ Augustus verving, begon krijgstoerustingen te maken. Hierop had in Noorwegen een volksstemming plaats, waarbij de overgroote meerderheid zich voor de opheffing van de Unie verklaarde. Het Storthing verzocht vervolgens aan Zweden de ontbinding van de Unie goed te keuren en een vreedzame oplossing mogelijk te maken. Een nieuwe buitengewone Rijksdag hechtte den 13den en 16den October zijn goedkeuring aan het voorloopig KarlstaderVerdrag, waarbij de rijksacte werd opgeheven en Noorwegen als een onafhankelijk land werd erkend. Na de onderteekening van het Karlstader Verdrag deed koning Oscar voor zich zelf en zijn Huis afstand van den troon van Noorwegen en berichtte aan de buitenlandsche mogendheden, dat Noorwegen door Zweden als een onafhankelijk rijk was erkend.

Onmiddellijk daarna diende het Kabinet Lundeberg zijn ontslag in; Staaff, de leider van de partij van de vereenigde liberalen, werd met de vorming van een nieuw ministerie belast. De voornaamste taak van dit Kabinet was de herziening van het kiesstelsel voor den Rijksdag. Herhaaldelijk waren vroeger reeds verschillende ontwerpen tot uitbreiding van het kiesrecht ingediend, de kwestie was echter niet tot een oplossing gekomen, daar de rechterzijde elke vermeerdering van het aantal kiezers afhankelijk wilde maken van de gelijktijdige invoering van de evenredige vertegenwoordiging, terwijl een groot deel van de linkerzijde voor het beginsel van verkiezing volgens de meerderheid optrad. Volgens het voorstel,dat het ministerie-/Sfcia^ den 24stea Februari 1906 indiende, zou elk onbesproken, mannelijk staatsburger na de voleindiging van zijn 248te jaar stemgerechtigd zijn; de verkiezing zou distriktsgewijze volgens de meerderheid geschieden, elke 9 jaar zou een nieuwe indeeling in kiesdistrikten plaats vinden. Dit ontwerp werd den 15den Mei door de Tweede Kamer met 134 tegen 94 stemmen aangenomen, doch den 14den Mei door de Eerste Kamer met 126 tegen 18 stemmen verworpen. De ministers verzochten den koning nieuwe verkiezingen te doen uitschrijven, waarin de koning niet wilde.treden. Het ministerie-Stal/^ nam zijn ontslag enwCTdden29slen Mei door het gematigd-conservatief Kabinet Lindmann vervangen, dat het kiesrechtvraagstuk tot oplossing bracht. Den 14den Mei 1907 werd in de Eerste Kamer met 110 tegen 29, in de Tweede Kamer met 128 tegen 98 stemmen een ontwerp aangenomen, dat de verkiezing voor beide Kamers op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging regelde, voor de Tweede Kamer het algemeen kiesrecht invoerde,den census voor de Eerste Kamer verlaagde en presentiegelden voor de leden van de Eerste Kamer invoerde, terwijl tegelijkertijd de gemeenteverkiezingen werden herzien. Deze wet werd aan den Rijksdag van 1909 opnieuw voorgelegd en door de beide Kamers aangenomen.

Oscar II overleed den 8sten December 1907 en werd opgevolgd door zijn zoon Gustaaf V. Bij de verkiezingen van den Rijksdag voor 1909 won de linkerzijde, vooral de partij van de socialisten, een aantal zetels. In de zitting van 1909 werden een groot aantal belangrijke besluiten op sociaal, economisch en

Sluiten