Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

militair gebied genomen, de wetsontwerpen, die betrekking hadden op de opheffing van de doodstraf, het vrouwenkiesrecht en de verzekering tegen werkeloosheid daarentegen verworpen. Het arbeidsvraagstuk trad in de laatste jaren in Zweden zeer op den voorgrond, vooral tengevolge van de snelle ontwikkeling van de fabrieksnijverheid. De Zweedsche Bond van werkgevers, die de eischen van de arbeiders om loonsverhooging en invloed op den gang der zaken, niet wilde vervullen, besloot den 26sten Juli 1909 een aantal arbeiders te ontslaan. Daarop antwoordden de verschillende arbeidersvereenigingen den 4aen Augustus met een algemeene staking, die weldra een kolossalen omvang aannam. Alleen de lagere spoorwegbeambten en de veldarbeiders namen daaraan geen deel. Den 7aen Augustus drong de regeering in een manifest bij beide partijen op verzoening aan,zij weigerde echter den 30sten Augustus den eersten stap tot bemiddeling te doen. Nadat het stakingscomité den 3den September de opheffing van de algemeene staking en de hervatting van den arbeid (die voor den Bond van werkgevers uitgezonderd) had aangekondigd,verklaarde de regeering zich bereid als bemiddelaar op te treden en noodigde tegelijkertijd den minister van Justitie uit een arbeidscontract te ontwerpen. Na dien tijd verliep de staking langzamerhand. Het ontwerp, dat in de zitting van 1910 ter sprake kwam, werd echter den 5aen Juni door de Tweede Kamer verworpen. Bij de verkiezingen van den Rijksdag van 1911 wonnen de liberalen 11 en de socialisten 3 zetels.

In 1908 deed het gerucht omtrent de onderhandelingen tusschen de belanghebbende mogendheden over de bepaling van het Verdrag van Parijs van 1856, volgens hetwelk Rusland de Alandseilanden niet zou mogen versterken, in Zweden een levendige beweging ontstaan. Van Trolle, minister van Buitenlandsche Zaken, verklaarde officieel, dat Zweden zich tegen de opheffing van deze bepaling zou verzetten en dat het niet genegen was tot een dergelijk verdrag als Noorwegen den 2dcn November 1907 met verschillende mogendheden had gesloten (zie Noorwegen). Na langdurige onderhandelingen kwam den 23sten April 1908 te Petersburg een verdrag tot stand tusschen Denemarken, Duitschland, Rusland en Zweden en te Berlijn tusschen Denemarken, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Nederland en Zweden, waarbij de mogendheden het status quo in hun landen aan de Oost- en de Noordzee beloofden te zullen handhaven (zie Noordzee-entente). Tegelijkertijd werd te Stockholm een verklaring door Engeland, Frankrijk en Zweden onderteekend,waardoor het integriteitstractaat van den 21sten November 185B voor Zweden werd opgeheven. Overigens bleven de betrekkingen met de verschillende mogendheden goed. Een incident, dat ontstond, doordat een Zweedsche onderzeeboot in de haven van IJmuiden in beslag genomen werd (1909), werd door tusschenkomst van de Nederlandsche regeering op een bevredigende wijze geëindigd. Alleen met Noorwegen bleef de verhouding gespannen, zooals bleek bij de onderhandelingen over het weiderecht van de Zweedsche rendieren in het Noorweegsch distrikt Tromsö. Nadat de onderhandelingen door Zweden waren afgebroken, besliste een scheidsgerecht in hoofdzaak ten gunste van dit land. Het geschil over de regeling van de zeegrens tusschen de beide landen werd door de beslissing van het Hof van Arbitrage

te 's Gravenhage geëindigd. Naar aanleiding van een derde geschilpunt n.1. den stand der zaken op Spitsbergen (zie aldaar) werd in 1910 een NoorweegschRussisch-Zweedsche conferentie te Christiania bijeengeroepen, die een plan uitwerkte, dat tot nu toe niet bekend is geworden en dat door de daarbij belanghebbende mogendheden nog niet is bekrachtigd.

Zweedsche punch, een mengsel van arak, wijn, suiker enz., wordt als likeur, meestal echter verdund met water, wijn of champagne gedronken.

Zweedsche taai en letterkunde. Het gebied van de Zweedsche taal valt in het algemeen samen met het Zweedsche rijk, alleen in het noorden worden daarenboven de Finsche en Laplandsche talen gebezigd, terwijl in het thans tot Rusland behoorende Finland hetZweedsch nogaltijd de schrijftaal is. In de landschappen Schonen, Blekinge en Halland, die vroeger aan Denemarken behoorden, wordt een dialect gesproken, dat dichter bij het Deensch dan het Zweedsch staat, terwijl de dialecten van Norrland, Finland en Esthland, volgens hun historische ontwikkeling, tot het Noorweegsch behooren. Een afzonderlijke plaats neemt het Gotlandsch in, dat oorspronkelijk misschien geen Noorsch, maar een Gotisch dialect is. Het oudste werk in het Gotlandsch, het „Gutalag," is uit taalkundig oogpunt van het grootste belang. Een groot aantal geschriften over de Zweedsche dialecten heeft in den jongsten tijd het licht gezien, van deze vermelden wij: „Om de svenska folkmalens frandskaper ock etnologiska betydelse" van Lundell(1880), „Om konsonantljuden i de svenska allmoge-m&len" van Leffler (1872), het tijdschrift „Nyare bidrag till kannedom om de svenska landsm&len ock svenskt folklif"(sedert 1879) alsmede het „Svenskt dialektlexicon" van Rietz (1867). Oorspronkelijk bestonden in het hedendaagsche Zweden twee stammen, de Zweden (Svêar) en de Gauten (Gautor of Götar). Beider talen waren echter in het historisch tij dperk reeds samengesmolten.

Het Zweedsch is eene Noorsche taal en bezit dan ook de algemeene eigenaardigheden vandenNoorschen en van den Germaanschen taalstam (zie Noorsche taal en letterkunde). Het Zweedsch wordt wel met het Deensch als Oost-Noorsch, tegenover het Noorweegsch en IJslandsch als West-Noorsch samengevat. De scheiding tusschen Oost- en WestNoorsch is misschien in de 9ae eeuw ontstaan, later hebben dejtalen zich meer en meer van elkander verwijderd.

Men onderscheidt in de geschiedenis der Zweedsche taal vijf tijdperken. Tot het eerste (Oost-Noordsche, tot 1250) behooren de korte opschriften in het runen-alphabet en tot het tweede de landschapswezen (tot 1400). Het oudste wetboek is het „Vestgötalag" uit een handschrift van 1281 (in 1876 uitgegeven door Schwartz en Noreen). Verder heeft men het „Ostgötalag" en het „Uplandslag" naar handschriften uit de 14de eeuw, en vooral het reeds vermelde „Gutalag", dat nog ouder is. Al die oudZweedsche wetten zijn verzameld in het „Corpus juris Sveo Gothorum antiqui" van Collin en Schlyter (sedert 1827). Het derde tijdperk, dat van de kronieken en van den „Euphemiavisor"(1400—1520), is dat der Unie, waarin de schrijftaal, die uit het Södermanlandsch was ontstaan, den invloed van het Deensch en Duitsch ondervond. Het vierde tijdperk is dat der Hervorming (1520—1700), het heeft

Sluiten