Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op liet gebied der taal een reactionnaire richting. De ontwikkeling der taal is in die tijdperken ongeveer als volgt: in de Oost-Noordsche taalgroep ontstaat aanvankelijk een gering onderscheid tusschen de Deensche en Zweedsche dialecten. Dit onderscheid is ook in het tweede tijdperk nog zeer gering, waardoor de taalvermenging in het tijdperk der Unie bevorderd werd. Vooral het Zweedsch onderging den invloed van de andere talen. In de geschriften uit dit tijdperk vindt men dikwijls verschillende eigenaardigheden van het Deensch, bijv. de toonlooze in plaats van de volle eindvocalen, het samenvallen van verschillende naamvallen en de verzachting van de tenues. Na het verbreken der Unie zocht men het Zweedsch van Danismen te zuiveren, veel invloed had hierop de uitvinding der boekdrukkunst, die er in 1483 werd ingevoerd, en de Bijbelvertaling van de gebroeders Petri (1626—1541). Oude vormen en vollere eindklanken treden weder te voorschijn en langzamerhand ontstaat een schrijftaal, welke van het Deensch aanmerkelijk verschilt. Tegen het einde van het vierde tijdperk, bij den dood van Karei XI, heeft het Zweedsch zich in hoofdzaak ontwikkeld tot de tegenwoordige spreek- en schrijftaal, terwijl zij in het vijfde tijdperk afgerond en voltooid is. Daarmede nam ook de grammaticale behandeling der taal een aanvang in de „Grammatica Svecana" (1696) van Tjallman en in ,,Schibboleth"(1716) van Svedberg.

Het hedendaagsche Zweedsch onderscheidt zich door zijn volle eindklanken, waardoor de taal zeer welluidend klinkt, en door het bewaren van een aantal oude, meer speciaal Noordsche eigenaardigheden, vooral met betrekking tot den woordenschat van het vermaagschap te Deensch. De & duidt een klank tusschen a en o aan, de u klinkt als onze lange u. De klinkers zijn kort voor een dubbelen medeklinker (met uitzondering van m en rd), maar lang aan het einde van den stam, voor ra en rd en voor een enkelen medeklinker. Bijkomende verbuigingsconsonanten (s en t) brengen daarin geen verandering. Van de consonanten heeft k voor palatale vocalen (a, e i, ö) en tj altijd nagenoeg den klank van tgj, g voor zachte vocalen dien van gj en dj dien van j, h is voor medeklinkers stom, s is aan het begin van een lettergreep steeds scherp ,fv gelijk aan v, skj, stj en sj zijn altijd, sk voor zachte vocalen, gelijk aan sj. Als hulpmiddelen voor de geschiedenis der taal noemen wij Rydquist „Svenska sprakets lagar"(6 din., 1850 —1883), Söderwall „Hufvudepokerna af svenska spr&kets utbildning"(1870) en „Ordbok öfver svenska medeltidsspr&ket" (sedert 1884), Tamm „Etymologisk svensk ordbok"(sedert 1890), Koek „Stïidier öfver forn-svensk ljudlara"(2 dln., 1882—1886), „Spr&khistorica undersökningar om svensk akcent" (2 dln., 1878—1885) en „Svensk ljudhistoria"(sedert 1906) en Noreen „V&rt spr&k"(sedert 1803). Van de talrijke Zweedsche grammatica's van het Nieuw-Zweedsch noemen wij die van Ljungberg (1757), Sahlstedt (1769), Fryxell (13ae druk, 1865), Tullberg (1836), Almquist (3de druk, 1840), die, uitgegeven door de Zweedsche Academie (1836), van Dieterich (2ae druk, 1848), Jessen (1869) en Poestion (2de druk, 1897). Woordenboeken leverden Sahlstedt (1773), Dalin (1869) en Kindblad (3 dln., 1867 —1871). Ook de Zweedsche Academie is bezig met de uitgave van een woordenboek (sedert 1897). Verder gaf zij een „Ordlista"(6cle druk, 1889) uit.

Letterkunde. Uit talrijke runenopschriftcn blijkt, dat de oud-Germaansche en vooral de speciaal Noorsche sagen, mythen enz. in Zweden bekend zijn geweest. Men kan echter eigenlijk eerst van een Zweedsche literatuur spreken, nadat door het Christendom de Latijnsche taal en het schrift van de monniken algemeen bekend geworden waren. Van de 13de eeuw tot de Hervorming was het Latijn in het algemeen de schrijftaal, in deze taal verschenen o.a. een „Leven van de Heilige Christina van Stumbelen" van den Dominicaner monnik Petrus de Dacia (f 1289), een „Chronica Gothorum" van Ericus Olai (f 1486) en de werken van den kanunnik Mattias (ï 1330). Deze laatste vertaalde o.a. de openbaringen,die zijn leerlinge, de heilige Birgitta (f 1373) van de godheid zelf meende te ontvangen, in het Latijn. De naar haar genoemde Birgittinerorde oefende door de vertaling en de bewerking van een aantal geschriften een grooten invloed in het Noorden uit. De belangrijkste landswetten werden in de landstaal opgeteekend, uit deze wetten blijkt, dat het Zweedsch ± 1300 reeds als een afzonderlijke taal bestond. Uit dezen tijd zijn ook de oudste bewaard gebleven volksliederen afkomstig, evenals de vertalingen van eenige Zuid-Europeesche ridderromans, die Eufemia, koningin van Noorwegen, voor haar schoonzoon, hertog Erik van Zweden, in het Zweedsch liet vertalen Q- 1300). De eerste, meest bekende Zweedsche dichter is bisschop Thomas Simonsson (f 1434), die liederen op Engelbrekt, de vrijheid en de trouw dichtte.

In den tijd van de Hervorming (1521—1611) kwam de landstaal tot aanzien en werd de algemeene taal. Olaus Petri (1493—1552), de groote ijveraar voor de Hervorming, schreef een groot aantal stichtelijke werken in het Zweedsch, verder een beroemde kroniek en een aantal rechterlijke spreuken, waarin de grondbeginselen van het ongeschreven recht uitgedrukt worden. Ook werkte hij mede aan de Bijbelvertaling van zijn broeder Laurentius Petri (1494—1573). Koning Gustaaf Wasa is ook als uitmuntend stilist bekend geworden. Onder zijn zoons Erik XIV, Johan 111 en Karei IX werd de grondslag voor de Zweedsche beschaving gelegd, ij

In het bloeitijdperk van Zweden op staatkundig gebied (1611—-1718) ontwikkelde zich onder de bescherming van Gustaaf Adolf II en zijn begaafde dochter Christina een soort late Renaissance. De wetenschappen werden bevorderd door de universiteiten te Upsala (opgericht 1477), Lund (1668), Abo (1640) en Dorpat (1632), voor de ontwikkeling van het volk werden een groot aantal lagere scholen opgericht. Christina riep een aantal geleerde mannen aan haar hof o.a. Descartes, Hugo de Groot en Puf endorf. Als beschermers van de wetenschap onderscheidden zich o.a. Axel Oxenstierna, Johan Skytte, Per Brahe, Magnus Gabriel de la Gardie en Erik Lindschiöld. De Zweedsche rechtsgeschiedenis werd bestudeerd door Johan Stiernhöök, de vaderlandsche geschiedenis vond een aantal beoefenaars, die door hun groote vaderlandsliefde dikwijls aan de waarheid te kort deden. Tot hen behooren Johan Bure, Verelius, Schefferus, Peringskiöld en Olof Rudbeck. De laatste trachtte in zijn „Atland" met groote geleerdheid te bewijzen, dat Zweden de bakermat van de Japhetische beschaving was geweest en dat het sprookjesland van Plato in Zweden was te zoeken. Zijn zoon Olof Rudbeck de Jongere hield zich vooral

Sluiten