Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met onderzoekingen op plantkundig gebied bezig, Urban Hjarne (1641-1724), die ook voor het tooneel schreef, schreef geneeskundige werken en trad vooral op tegen de heksenprocessen, Kristoffer Polhem werd als werktuigkundige beroemd.

Terwijl Zweden op staatkundig en wetenschappelijk gebied een belangrijke plaats innam, was het op letterkundig gebied voor het grootste deel van Duitsche, Nederlandsche en Italiaansche voorbeelden afhankelijk. De kunstpoëzie nam de plaats in van de natuurpoëzie. De bekende polyhistor Georg Stiernhielm (1598—1672) voerde in aansluiting bij Martin Opitz en de eerste Silezische dichtschool een aan strenge regels gebonden versleer in, hij zelf schreef een aantal verzen volgens deze regels. Na hem kwamen Lars Wivallius (1605—1669), een echt Renaissancedichter, Lasse Lucidor de Ongelukkige („Helikons Blomster") en de populaire humoristen Israël Holmström (1660—1708) en Jóhan Runius (1674—1713). Stichtelijke poëzie schreven Samuel Columbus (1642—1679), Hakan Spegel (1645—1714) en Jesper Svedberg (1653—1735). Jakob Frese (1691 —1729) uitte het eerst in zijn innige elegische gedichten het gevoel, dat den Finschen dichters in het algemeen eigen is. Gunno Dahlstierna (1661—1709) sluit zich in zijn vaderlandsche gedichten bij Italiaansche voorbeelden aan, Sophia Elizabeth Brenner (1659—1730) schreef een aantal leerdichten. Schooldrama's schreven Johannes Messenius (1579—1636) en Magnus Asteropherus (f 1647). Aan het hof van Christvna werden balletten opgevoerd.

De periode van de burgerlijke vrijheidspolitiek (1719—1772) is, evenals de voorgaande, in de eerste plaats in wetenschappelijk opzicht van belang. In dezen tijd leefde de natuurkundige Linnaeus (1707 —1778), de delfstof- en scheikundigen Cronstedt, Bergman en Scheele, de natuurkundige Anders Celsius en de wijsgeer Swedenborg. De geschiedenis werd volgens nieuwe kritische methoden bewerkt door Sven Lagerbring (1707—1787), Olof Celsius den Jongere,, Anders Botin en den dichter Dalin. In zijn „Glossarium-Svio-gothicum" legde Johan Ihre (1707 —1780) den grondslag voor een wetenschappelijke taalstudie. Nohrberg, Tollstadius en Rhydelius maakten zich op godsdienstig gebied verdienstelijk. Van veel belang was de uitgave van het Zweedsch wetboek (1743), die door Gustaaf Cronhielm werd geleid, terwijl David Ehrenstrale het werk commentarieerde. Op staathuishoudkundig gebied muntte de Finsche predikant Chydenius uit. In dezen tijd werden een aantal academiën en geleerde genootschappen opgericht, zooals de Academie van Wetenschappen (1739), de Academie van Vrije Kunsten (1735), de Witterhetsacademie (1753) en de Muziekacademie (1771). De algemeene richting van dit tijdperk was een wetenschappelijke en het is karakteristiek, dat de voornaamste dichter Olof van Dalin (1708—1763) tevens een geleerde was. Hij stichtte het satirisch weekblad ,,Argus"(1733) naar Engelsch voorbeeld. Hierdoor en door sommige van zijn andere werken kreeghij veel invloed op het Nieuw-Zweedsche proza. Redevoeringen, brieven en gedenkschriften werden in dezen tijd veel geschreven o.a. door Trastn(1695— 1770) en Höpken (1712—1789). Jakob Henrik Mink (1714—1763) schreef den eersten prozaroman („ Adalrik och Götilda"), Jakób Wallenberg (1746—1778) trad op met een humoristische reisbeschrijving. („Min son p& galejan"), Bergklint (1733—1805)

schreef aesthetische kritieken en lyrische gedichten, Hedwig Charlolte Nordenflycht (1718—1763) hartstochtelijke liefdesliederen. Tot haar kring behooren de ordendichter Gyllenborg (1731—1808) en Gustaf Philip Creutz (1731—1785), de schrijver van herdersdichten. Den overgang tot de volgende periode vormt de liederendichter Karl Mikaël Bellman (1740 —1795). Hij vervaardigde drink- en minneliederen, tafereeltjes uit het leven te Stockholm, die door hun krachtig realisme, hun levendigen humor en de natuurliefde, die er uit spreekt,tot de beste voortbrengselen van de Zweedsche poëzie behooren.

In den volgenden tijd kreeg het Fransche pseudoklassicisme een overheersclienden invloed op de Zweedsche letterkunde. De ziel van het geestelijk leven in Zweden was koning Gustaaf 111 (1772— 1809), die zelf ook als tooneeldichter en redenaar optrad. Hij bracht den in 1737 gestichten schouwburg tot bloei en stichtte in 1786 de Zweedsche Academie naar het voorbeeld van de Académie Frangaise. Zijn streven werd ondersteund door Johan Henrik Kellgren (1751—1795), die door zijn„Stockholmsposten" veel invloed uitoefende. Ofschoon hij tot de academische dichters behoort, onderscheiden zijn latere gedichten zich door meer gevoel en warmte dan men in het algemeen bij de academische poëzie vindt. Tot de voornaamste vertegenwoordigers van deze poëzie behooren verder Karl Gustaf af Leopold (1765— 1829), Johan Gabriel Oxenstierna (1750—1818), Gudmund Göran Adlerbeth (1751—1818) en Nils van Rosenstein (1752—1824). Naast dezen moeten Anna Maria Lenngren (1755—1817) en K. A. Ehrensvard (1745—1800) genoemd worden. Voor het tooneel schreven: Karei Israël Hallman (1732—1800), Olof Kexël (1748—1796), Karei Envallsson (1756—1806) en Gustaf van Paykull (1757—1826). De voornaamste prozaschrijvers zijn Jonas Hallenberg (1748— 1834), Gjörwell (1731—1834), Axel Gabriel Silfverstolpe, zijn broeder Gustaf Slifverstolpe en Georg Adlersparre (1760—1835). Als geleerden moeten de Finsche taalkundige Porthan, de Finsche geschiedkundige en rechtsgeleerde Calonius en de philosoof Höejer (1767—1812) genoemd worden.

Het begin van de 19de eeuw was een tijd van gisting op staatkundig en letterkundig gebied. Reeds in de voorafgaande periode was de academische richting aangevallen door Thomas Thorild (1759—1808), een vurig vereerder van Rousseau. Thans werd de strijd voortgezet door de aanhangers van de Duitsche romantiek, die naar hun tijdschrift „Phosphoros" den naam Phosforisten ontvingen. Tot de leiders behoorden Pehr Daniël Amadeus Atterbom (1790 —1855), Lorenzo Hammarsköld (1785—1827) en Frederik Dahlgrèn (1791—1874). Omstreeks 1820 hadden zij het pseudo-klassicisme overwonnen, tengevolge van hun overdrijving naar één richting ontstond echter bijna onmiddellijk een reactie tegen hun streven. De liberale pers, vertegenwoordigd door Lars Hierta (1801—1872), Johan Johansson (f 1860) en Anders Lindeberg (f 1849), trad op tegen hun conservatisme. Anderen verzetten zich tegen de verwaarloozing van den vorm, zoo bijv. Esaias Tegner (1782—1846), de meest beroemde dichter van Zweden. In vela opzichten sloot hij zich echter bij de ideeën van de Phosforisten aan, vooral wat betreft de liefde voor het vaderland en de nationale poëzie. Tot deze richting behooren: Johan Olof Wallin (1779—1839), Erik Gustaf Geijer (1783—1847),

Sluiten