Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Henrik Ling (1776—1839), Karl August Nicander (1799—1839), Arvid August Afzelius (1785—1871), Raaf enz. Een humoristische beschrijving van den strijd tusschen de verschillende richtingen gaf Fahlcrantz (1790—1866) in zijn allegorische „Ark van Noach", Cederborgh (1784—1835) gaf in realistische romans humoristisch-satirische schetsen van zijn tijdgenooten, Erik Sjöberg (Vitalis, 1794—1828) viel hen in geestige hekeldichten aan. Als lyrische dichters muntten vooral uit Frans Mikael Franzén (1772—1847) en Erik Johan Stagnelius (1793— 1823).

Tot de voornaamste dichters uit het tijdvak na 1830 behooren: Bötticher (1807—1878), Johan Börjesson (1790—1866), K. W. A. Strandberg (Talis Qalis, 1818—1877), Oscar Patrick Sturzenbecker (Orvar Odd, 1811—1869), Braun (1813—1860), Elias Sehlstedt (1808—1874), Dahlgrén (1816—1895), Johan Nybom (1815—1889), Malmström (1816— 1865), Topelius (1818—1898), Lars Stenback (1811— 1870), Karei Jonas Love Almquist (1793—1866) en vooral J. L. Runeberg (1804—1877), de meest beroemde dichter van deze periode. Onder zijn invloed kwam de moderne roman tot ontwikkeling, die verder beoefend werd door Frederika Bremer, barones Van Knorring (1797—1848) en Emilie FlygareCarlén. Daarnaast werden een aantal historische romans geschreven, o.a. door Crusenslolpe (1795— 1865),Mellin (1803—1876), Ridderstad (1807—1886), Pehr Sparre (1790—1871), K. G. Starback (1828— 1885), August Blanche (1811—1868), K. A. Wetterbergh (1801—1889), Marie Sophie Schwarz (1819— 1895) en Josefina Wettergrund (Lea, 1830—1903). Tot deze periode behooren verder Victor Rydberg (1828—1895), C. D. af Wirsén (geboren in 1842), K. L. Ostergrén (1842—1881), N. P. Odman (geboren 1838), K. R. Nyblom (geboren 1832), Ernst Daniël Björck (1838—1868) en Carl Snoilsky (1841—1900).

Een nieuw tijdperk brak aan met het optreden van August Strindberg (geboren in 1849), een vurig aanhanger van de naturalistische theorieën. Hem volgden: Anna Charlotte Leffler (1849—1892), Victoria Benedictsson (1850—1888), Gustaf af Geyerstam (1858—1909), Georg Nordensvan (geboren in 1855), Ola Hansson (geboren in 1860), Oscar Levertin (geboren in 1862), Tor Hedberg (geboren in 1862), K. A. Tavaststjerna (1860—1899), A.U. Baath (geboren in 1853) en Axel Lundegard (geboren in 1861). Ondanks een aantal uitstekende vertegenwoordigers heeft het naturalisme nooit vasten voet in Zweden gekregen, doordat deze riching in scherpe tegenstelling staat methetZweedsche volkskarakter.Het publiek en de oudere dichters zagen de nieuwe richting met wantrouwen aan en namen de meeste werken ongunstig op. Ook bij vele van de genoemde dichters drong het naturalisme niet door, zoodat, toen omstreeks 1890 Heldenstam en Levertin tegen deze richting optraden, zij weldra de overwinning behaalden. Toch heeft de naturalistische strooming grooten invloed gehad; de werken van de meeste latere dichters dragen de sporen van den hartstocht, de nauwkeurige waarneming en de preciese wijze van uitdrukking van hun voorgangers. Aan een vermenging van naturalisme met romantiek hebben een aantal boerenverhalen, vooral uit het noorden van Zweden, hun ontstaan te danken, Hiertoe behooren bijv. werken van Waldemar Lindholm, E. W'alter Hülpher, Hjalmar Höglund, Karl Erik Forszlund en Laura

Fittinghof. Hierbij sluit zich „Döda fallet" van Per Hallström en „Jeruzalem" van Selma Lagerlöf aan. Ook August Bondeson en Gustaf Janson schreven boerenvertellingen. In de arbeiderswereld spelen: „Barbarskogen" van Ossian-Nilsson, „Hennes son" van Mathüda Roos, „I mörkret" van Gustaf Janson, „Sjöfolk" van Nylander en „Fabriksstaden" van Martin Landahl. De meeste romans zoeken hun milieu in de lagere en hoogere kringen der burgerij; vraagstukken op het gebied van godsdienst, de vrouwenkwestie, letterkunde enz. spelen er een groote rol in. Dergelijke romans schreven o.a.: Mikael Lybeck, Mathüda Roos, Alfhild Agrell, Hilma Angered-Strandberg en Henning van Melsted. In verschillende romans treedt Strindberg tegen de letterkundige richting en tegen het leven van zijn tijd op. De voornaamste vertegenwoordiger van den psychologischen roman is Gustaf af Geyerstam, verder behooren hiertoe: Axel Lundegard, Per Hallström, Anna Wahlenberg, Hjalmar Söderberg, Henning van Melsted en Nils W. Lund. Van de jongere schrijvers noemen wij verder: Hugo Oeberg, Henning Berger, Anna Quiding, Mathüda Malling en Marika Cederström. Historische romans schreven Axel Lundegard, Verder van Heidenstam, Olof Högberg,';Gustaf Janson en Mathüda Malling. Hierbij sluiten zich de „Historiska miniatyren" van Strindberg aan. Een eigenaardige plaats nemen de phantastisclie verhalen van Selma Lagerlöf in.

Het aantal werken voor het tooneel is betrekkelijk klein. De grootste persoonlijkheid is ook op dit gebied Strindberg, die vooral historische drama's schreef. Ook gaf hij eenige dramatische sprookjes en droomspelen in romantisch-symbolieke richting, waarin hij nagevolgd werd door John Wigforsz. In een moderne omgeving spelen de stukken van Henning van Melsted, Tor Hedberg, Per Hallström, Thore Blanche, Hjalmar Söderberg en Hjalmar Bergström.

In de dichtkunst vallen in den jongsten tijd verschillende stroomingen te onderscheiden: de nieuwromantische richting, die zich aansluit bij Heidenstam, wordt vertegenwoordigd door Vilhelm Ekelund, Erik Brogren, Sven Lidman, Bo Bergmann, Gustaf Ullmann, Jakob Tegengren en Bertel Gripenberg; liederen in den trant van Bellman worden voornamelijk gedicht door Gustaf Fröding en Axel Karlfeldt; Ossiam-Nilsson trad aanvankelijk op als de dichter van het socialisme, doch wendde zich later daarvan af, Arvid Mörne ging van natuurbeschrijvingen tot de socialistische lyriek over, Klinckowström wendde zich tegen de decadenten.

De wetenschappelijke letterkunde vond in de 19de eeuw en later een aantal uitstekende beoefenaars. Op theologisch gebied muntten uit: Wallin, Franzén. Thomander (1798—1865), Wieselgréti (1800—1877), Melin (f 1877), Reuterdahl, Rudin, Fehr en Rydberg, de wijsbegeerte werd beoefend door Höijer (1767—1812), Snellman (1806—1881),Boström (1797—1866), Claëson (1827—1859), Po-ntus Wikner (1837—1888), Sigurd Ribbing (1816—1899), Axel Nyblaus (1821—1899) en Fr. v. Scheele. De geschiedenis loopt aanvankelijk evenwijdig met de nationale beweging in het begin van de 19de eeuw; grooten invloed had de dichter Erik Gustaf Geijer, tot zijn school behooren o.a. Carlson (1811—1887), Malmström en Nordstrom (1801—1874). Een tegenstander van Geijer was de rationalist Anders Fryxell (1795—1881), wiens „Verhalen uit de Zweedsche ge-

Sluiten