Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schiedenis" (46 dln.) zeer populair werden. In denzelfden geest schreef K. G. Starback (1828—1885). Tot de geschiedkundigen van den lateren tijd behooren: K. Th. Odhner (1836—1904), Martin WeiMi (1835—1902), Oskar Alin (1846—1900), Stavenow (geboren in 1864), Claes Annerstedt (geboren in 1839), Gustaf Björlin (geboren in 1846), Arvid Ahnfelt en A. E. Silén. Biografieën en essays schreven: Hans Forszell (1843-1901), ElofTegnér (1844-1900), Harald Hjarne (geboren in 1848), Harald Wieselgrén (1836—1905), Adolf Hedin (geboren in 1834) en Ellen Fries. Het groote werk „Sveriges Historia" wordt uitgegeven door Emil Hildebrand (geboren in

1848), een verzameling van de oude Zweedsche wetten gaf J. Schlyter (1795—1888) uit. De meest bekende oudheidkundigen van Zweden zijn Hans Hildebrand (geboren in 1842) en Oscar Montelius (geboren in 1843). Op het gebied van de scheikunde muntte Jöns Jakob Berzelius (f 1848) uit, in de natuurkunde Anders Angström (f 1874), in de plantkunde Adolf Aghard (1786—1859), zijn zoon J. G. Aghard en Elias Fries (f 1878), in de dierkunde S. L. Lovèn, in de geologie Sven Nilsson (f 1883) en Natliorst, Anders Retzius (f 1860) beoefende de anatomie en de ethnologie, Gustaf Retzius (geboren in 1842) de histologie. Tot de voornaamste Zweedsche aardrijkskundigen behooren: Palmblad, Tuneld, Tamm, Adolf Erik Nordenskiöld (f 1901) en Gustaf Nordenskiöld, reisbeschrijvingen leverden Sven Hedin (geboren in 1865), Gustaf Steffen (geboren in 1864) en Carl Bildt (geboren in 1850). De Zweedsche philologie vond in den laatsten tijd een aantal beoefenaars. Een verzameling Zweedsche volksliederen werd uitgegeven door A. Afzelius, Geijer en L. F. Raaf, Adolf Ivar Arwidson leverde daarop een aanvulling. De geschiedenis van de Zweedsche taal werd bestudeerd door J. E. Rydquist (1800—1877), J. A. Lundell (1851—1893), Axel Koek (geboren in 1857), L. F. A. Löffter (geboren in 1847), Adolf Nóreen (geboren in 1854), Esaias Tegnér de Jongere (geboren in 1843) en Gustaf Cederschiöld (geboren in

1849). Het groote woordenboek van de Zweedsche Academie wordt geredigeerd door K. F. Söderwall (geboren in 1842). Voor de geschiedenis van de'letterkunde was het werk „Svenska Vitterheten"(1818) van Lorenzo Hammersköld van veel belang. De letterkunde in het algemeen werd verder behandeld door B. E. Malmström, G. Ljunggrén en Henrik Schück. Afzonderlijke tijdvakken, personen, stroomingen enz. werden o.a. bestudeerd door: P. D. A. Atterbom, Hellen Lindgren, Oscar Levertin, Cecilia Baath-Holmberg, Ola Hansson, Gustaf af Geijerstam, Otto Sylvan, J. Mortensen, David Sprengel, G. Ljunggrén, Schück, Warburg, C. R. Nyblom, C. D. af Wirsén, Nils Erdmann en Ellen Key. Over Tegnér schreven o.a. K. F. Böttiger, Elof Tegnér, Georg Brandes en Nils Erdmann, Reinéberg werd behandeld o.a. door J E. Strömborg, V. Söderhjelm, C. G. Estlander, Eliel Vest en Hellen Lindgrén. De geschiedenis van de kerkelijke letterkunde werd bestudeerd door Per Wieselgrén, de geschiedenis van het tooneel door G. Ljunggrén, bibliografisch werd de tooneelliteratuur bewerkt door G. A. Klemming en F. A. Dahlgrén. Een geschiedenis van de Zweedsche pers schreven Otto Sylvan (tot 1772) en B. Lundstedt (van 1812—1894). H. Laurin en Georg Nordensvan behandelden de kunstgeschiedenis.

De literatuur over de Zweedsche letterkunde is zeer

groot. Wij noemen slechts: „Biographiskt lexikon" (sedert 1835), „Bibliografiska och litteraturhistoriska anteckningar" van Schück (1896), „Svenskt literaturlexikon"(1886), het Noorweegsche werk: „Indledning i studiet af Sveriges literatur i vort aarliundrede"(1862), het Deensche werk: „Nordens politiske digtning 1789—1807" van Bajer en het Duitsche werk „Geschichte der skandinavischen Literatur"(3 dln., 1886—1889). Van anthologieën moeten vooral genoemd worden: „Valda styeken af svenska författare 1526—1723"(1893) en „Svenska parnassen" van Noreen en Meyer, de „Svenskt portrattgalleri"(sedert 1895), een werk met korte biografieën en portretten van moderne Zweedsche schrijvers en de encyclopaedie „Nordisk familjebok"(sedert 1903). Over den invloed van de Nederlandsche letterkunde in Zweden schreef dr. E. Wrangel een werk, getiteld: „Sveriges litterara forbindelser med Holland sardeles under 1600—talet", dat door mevrouw Beets-Damsté in het Nederlandsch werd vertaald.

Zweedsch-Noorsche Unie is in staatsrechtelijke beteekenis de verbinding, die van 1814 —1905 tusschen Zweden en Noorwegen bestond. Zie Noorwegen, Geschiedenis.

Zweefspoorweg; is de naam van een spoorweg, waarbij de wagens hangen aan de raderen en zich dus onder de rails bevinden. Deze spoorwegen kunnen zoowel met twee als met één rail gebouwd worden, daar de wagens wel een weinig heen en weer kunnen schommelen, maar omvallen onmogelijk is. Zij werden in den eersten tijd in hoofdzaak, en dan met één rail, gebruikt voor het transport van ruwprodukten (ertsen, steenen, steenkool enz.) over kleine afstanden. Als draagrail doet dan een gespannen kabel dienst, waarom men in zulke gevallen ook van kabelzweefspoorwegen spreekt. Later werd, op aandringen van den ingenieur Lang, een proef genomen met een tweerails-zweefspoorweg voor het snelvervoer van personen in een stad, welke proef te Deutz genomen, als geslaagd moest beschouwd worden. Bij den bouw van een 13 km. langen zweefspoorweg over den Wupper te Elberfeld-Barmen, oorspronkelijk naar het tweerail-stelsel ontworpen, bleek echter het eenrail-stelsel belangrijk doelmatiger, omdat het de mogelijkheid van ontsporing uitsluit. Daardoor kunnen bochten zonder gevaar scherp genomen worden. Bovendien bespeuren de reizigers niet, dat een bocht wordt gepasseerd. Daardoor beveelt dit stelsel zich vooral aan voor groote snelheden.

Zweer (ukus) is de naam van een granuleerend weefselverlies der huid met etterig verval der granulaties. Ook op slijmvliezen echter komen die substantieverliezen voor als gevolg van ontstekingen. De huidzweer is dus een plek zonder opperhuid en niet geneigd tot genezing. Elke zweer ontlast een afgescheiden vocht van verschillende hoeveelheid en gesteldheid. Een zweer heeft in het algemeen de neiging om grooter, althans om niet kleiner te worden. Haar genezing geschiedt doorgaans zeer langzaam, doordien de bodem der zweer in de eerste plaats gezuiverd moet worden van al het bedorven weefsel, waarna hij met gezonde vleeschtepeltjes wordt bedekt, die het vleeschverlies zoeken aan te vullen. Ten laatste groeit er van de randen der zweer uit nieuwe opperhuid overheen en de zweer is verdwenen. Een herstellende zweer is dus gelijk aan

Sluiten