Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

frierdurchschnitte" (1893). Met O. Leopold bewerkte hij den 7den druk van het officiéél in het koninkrijk Saksen ,ingevoerde „Lehrbuch für Hebammen" (1902).

Zwemblaas is de naam voor een vliezig, met lucht gevuld orgaan, dat men bij vele visschen aantreft. Het ligt tusschen de wervelkolom en het darmkanaal, waarmee het meestal door een luchtbuis (ductus pneumaticus) verbonden is. Bij volwassen dieren ontbreekt deze luchtbuis soms, bij jonge dieren is zij tijdens de ontwikkeling altijd aanwezig. De zwemblaas vormt öf een eenvoudigen zak, öf zij is verdeeld in 2 afdeelingen, waarvan de achterste in verband staat met de reeds genoemde luchtbuis; ook bezitten sommige zwemblazen aanhangsels. In sommige gevallen is zij door een rij beentjes met den voorhof van het oor verbonden. Bij sommige visschen bevinden zich in den wand van de zwemblaas vertakkingen van de bloedvaten, zoodat zij voor de zuivering van het aderlijk bloed kan dienen. Men neemt gewoonlijk aan, dat de zwemblaas dient om het dalen en stijgen van de visschen gemakkelijk te maken. De lucht, die zij bevat, wordt namelijk bij de dalende beweging door de drukking op den buik samengedrukt, het volume van den visch wordt kleiner, hij wordt soortelijk zwaarder en zinkt, in het tegenovergestelde geval wordt het dier soortelijk lichter, zoodat het stijgt. Door anderen wordt deze theorie verworpen; zij meenen, dat de uitzetting en inkrimping van de lucht in de zwemblaas zuiver passief is. Volgens hen bewerkt het orgaan, dat de visch steeds hetzelfde soortelijk gewicht behoudt als het water, zoodat hij op elke diepte in evenwicht blijft en kan uitrusten; visschen zonder zwemblaas, die soortelijk zwaarder zijn dan water, kunnen alleen door de werking van hun spieren stijgen, terwijl zij voor het uitrusten op vaste steunpunten aangewezen zijn. Wanneer een aan de oppervlakte levende visch zich te snel naar de diepte beweegt, kan door de drukking van het water de zwemblaas te veel samengedrukt worden, in dat geval kan het dier echter de lucht aanvullen, zoodat het zich weder vrij kan bewegen; in het omgekeerde geval kan het door de luchtbuis de overtollige lucht laten ontwijken. Bij visschen zonder luchtbuis wordt door resorptie de lucht aangevuld of verwijderd, zoodat het evenwicht langzamerhand wordt hersteld, wanneer de overgang niet te snel plaats heeft. In dat geval doet de lucht de wanden van de zwemblaas springen. De samenstelling van de lucht is bij verschillende visschen zeer ongelijk; zij bestaat soms uit bijna zuivere stikstof, soms uit bijna zuivere zuurstof, in de meeste gevallen uit een mengsel van stikstof, zuurstof en koolstof. De wand van de zwemblaas is in sommige gevallen voorzien van spieren, die misschien dienen om door een gedeeltelijke samentrekking van de blaas het zwaartepunt van den visch te verplaatsen. Wordt bijv. de lucht uit het voorste deel verwijderd, dan zinkt de kop van het dier. De knorhanen bezitten een soort middenrif in de zwemblaas, die zij in trilling kunnen brengen, waardoor een geluid ontstaat.

Zwemmen noemt men de opzettelijke voortbeweging van een dierlijk lichaam op of in het war ter. Wanneer een voorwerp in het water geraakt, zijn er verschillende gevallen mogelijk; is het soortelijk zwaarder dan water, dan zinkt het, is het soortelijk lichter, dan wordt het naar de oppervlak¬

te gestuwd en blijft daar drijven, is het soortelijk gewicht gelijk aan dat van het water, dan blijft het zweven. Dieren, die soortelijk zwaarder zijn dan water, moeten, om te kunnen zwemmen, van bijzondere inrichtingen zijn voorzien, die het zinken tegengaan. De meeste visschen, die een groot soortelijk gewicht hebben, bezitten bijv. een met lucht gevulde blaas (zie Zwemblaas),waardoor zij het evenwicht met het water kunnen bewaren. De zwemvogels zijn over het algemeen licht, tengevolge daarvan kost het onderduiken hun moeite. De meeste landdieren zijn, wanneer de longen met lucht zijn gevuld, een weinig lichter dan water, zoodat zij bijna alle kunnen zwemmen. De inrichtingen, die voor de voortbeweging in of op het water dienen, zijn bij verschillende dieren zeer ongelijk. Sommige bewegen zich voort, doordat zij afwisselend water opzuigen en weder uitstooten. De medusen bezitten een klokvormig scherm, dat zich beurtelings samentrekt en uitzet, de raderdiertjes hebben trilharen, die voortdurend in beweging zijn, waardoor de oppervlakte, die met het water in aanraking is, beurtelings grooter en kleiner wordt, de pteropoden bezitten aan den kop vleugelvormige aanhangsels, die als een dubbel roer werken. Bij de visschen dienen snelle en krachtige strekbewegingen van den staart voornamelijk voor het zwemmen, welke bewegingen door de werking van de vinnen worden ondersteund. De zwemvogels maken roeiende bewegingen met hun pooten, die van krachtige zwemvliezen zijn voorzien. Ook bij de landdieren heeft het zwemmen doorroeiende bewegingen plaats.

Het soortelijk gewicht van den mensch is in het algemeen grooter dan dat van water, zoodat hij alleen öf met behulp van bijzondere toestellen, öf door het maken van doelmatige bewegingen het zinken kan tegengaan. Dergelijke toestellen zijn met lucht gevulde zwemblazen, zwemgordels, zwemvesten enz. Het zwempak van Boytcm is vervaardigd van waterdichte stof. Het bestaat uit een zwembroek en een zwembuis met een kap, die alleen het gezicht vrijlaat. Beide kleedingstukken worden door een lichten, breeden, ijzeren gordel met elkander verbonden en door een leeren riem vastgemaakt. Op de plaats van de dijen, den rug en het achterhoofd zijn in het pak luchtbuizenaangebracht, die op de borst uitkomen, zoodat daarin lucht geblazen kan worden. De buizen zijn van sluitkleppen voorzien. Het eigenlijke zwemmen bestaat bij den mensch in het maken van bewegingen, die een zoodanigen druk of stoot tegen het water uitoefenen, dat het lichaam tegelijkertijd opgestuwd en voortbewogen wordt. Deze bewegingen worden met de ledematen gemaakt en wel zóó, dat de verschillende ledematen elkander ondersteunen en afwisselen. Hoe doelmatiger de beweging, des te geringer kan zij zijn.

Waarschijnlijk hebben de menschendezwemkunst van de dieren afgekeken en wel van die dieren, die niet in het water leven, zooals paarden en honden. Voor de thans bijna algemeen toegepaste zwemmethode heeft men het zwemmen van den kikvorsch als voorbeeld genomen. De zwemkunst wordt volgens verschillende methoden onderwezen. Dikwijls worden er voorbereidende oefeningen op het land gemaakt, meestal in een hangtoestel. Begeeft de leerling zich vervolgens te water, dan houdt

ae zwemmeester nem aoor miaaei van aen nengei •;

Sluiten