Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vast aan een lijn, die met een gordel aan liet lichaam van den zwemmer is bevestigd. Heeft hij zich genoeg geoefend, dan wordt de hengel vervangen door de slappe lijn, waarmee hij opgehaald wordt, wanneer hij zich zelf niet boven het water kan verheffen. Bij de eenvoudigste wijze van zwemmen geschiedt de voortbeweging doorhetophalenenhetzijwaarts strekken van de beenen, terwijl het onderduiken van het bovenlichaam op het oogenblik, dat de beenen gestrekt worden, door de houding van de armen verhinderd wordt. Andere wijzen van zwemmen zijn o. a. het zwemmen op den rug, waarbij het water door de armen en de beenen weggestooten wordt, het zijwaartsch zwemmen en het Spaansch zwemmen, waarbij ook de armen voor de voortbeweging dienen, terwijl de beenen schaaraclitige bewegingen maken. Tot de verdere zwemoefeningen behooren het zwemmen onder water, het duiken en het springen van een hoogte in het water.

De zwemkunst is zeer oud, zij werd bijv. bij de Grieken en Romeinen algemeen beoefend; bij het laatste volk maakte zij deel uit van de militaire oefeningen. Ook de Germanen waren oorspronkelijk in het algemeen uitstekende zwemmers. In de Middeleeuwen werd deze kunst langzamerhand geheel verwaarloosd. Eerst in de tweede helft van de 19ae eeuw kwam zij weder tot aanzien. De zwemsport is evenals bijna alle takken van sport uit Engeland afkomstig; later heeft zij zich ook in anderelanden, vooral in Duitschland en Zweden, krachtig ontwikkeld. Ook in ons land wordt de zwemkunst meer en meer beoefend.

Van de ruim 60 zweminrichtingen, die over verschillende steden van ons land zijn verspreid, was de eerste die te Amsterdam (1846). Eerst vele jaren later (in 1870) werd de eerste zwemvereeniging aldaar opgericht, n. 1.: „De Amsterdamsche Zwemclub." Dit voorbeeld vond navolging en spoedig was ons land eenige zwemclubs rijk, die weldra wedstrijden begonnen te houden. Daar iedere vereeniging deze volgens haar eigen reglementen hield, w-as het gewenscht, hierin eenheid te brengen. Totdit doel werd de Nederlandsche Zwembond (1888) opgericht. De voornaamste nummers bij de wedstrijden zijn: snelzwemmen op langen en korten afstand, rugzwemmen, duiken en meerdere waterspelen, waarvan waterpolo en waterspringen de nieuwste zijn.

Zwempooten (Pedes natatorii) noemt men de eigenaardig gevormde pooten van verschillende, in het water levende, gewervelde dieren, insekten, kreeften enz., welke hen instaat stellen zich zwemmende voort te bewegen. Meestal zijn de pooten verkort, maar tevens verbreed. Bij verschillende mossels is de eigenlijke poot verschrompeld en bevindt zich inplaats daarvan ter weerszijden van het lichaam een vleugelvormig verlengsel. Bij een antal gelede dieren (waterkevers enz.) zijn de achterpooten in zwempooten veranderd. Ook bij de vogels is zulks doorgaans het geval. Somtijds zijn echter ook de voorpooten in zwempooten overgegaan, zooals bij de pingoeïns. Bij de zeehonden en zeeschildpadden zijn wel alle vier de extremiteiten in zwempooten veranderd, maar de voorste zijn meer ontwikkeld dan de acliterste.Bij de zwemmende gelede dieren, ook bij zulke, waar de pooten nog geen uitgesproken zwempooten zijn, als bij den bever, den kikvorsch enz., worden de teenen en de vingers

door een bijzondere huid, het zoogenaamde zwemvlies, yereenigd.

Zwemvlies. Zie Zwempooten.

Zwemvogels (Natatores, Palmipedes) is de naam van een orde van vogels, die thans door vele dierkundigen niet meer als een afzonderlijke orde wordt erkend. De vogels, die vroeger algemeen daartoe gerekend werden, onderscheiden zich door de volgende kenmerken: de pooten hebben drie voorteenen, die door zwemvliezen met elkander verbonden (zwemvoeten) zijn en een achterteen, of vier door zwemvliezen verbonden voorteenen (roeivoeten). De dij en een groot gedeelte van het scheenbeen zijn onder de huid van den romp verborgen, zoodat bijna alleen de voet buiten den romp uitsteekt, die meestal met een hoornige huid is bedekt. Doordien alleen de korte voet buiten het lichaam is geplaatst, staan hun pooten ver naar achteren en is hun gang min of meer waggelend. De hals is dikwijls zeer lang, waardoor deze vogels in staat zijn hun voedsel te grijpen door den kop onder of boven water ver uit te strekken. Hun vederen worden tegen natworden beschermd door een olieachtig vocht, dat door de stuitklier wordt afgescheiden. De vogel drukt het daaruit met den snavel en trekt vervolgens den snavel door de vederen heen, terwijl hij voorts den kop er mede insmeert door dezen over de klier heen te strijken. Deze orde wordt verdeeld in 7 familiën, namelijk die der Tand- of Zeefsnaveligen (Lamellirostres), Pelikanen of Roeivoetigen (Pelecanidae), Stormvogels (Procellaridae), Meeuwen (Laridae), Duikers (Colymbidae), Alken (Alcidae) en Pinguïns (Impennes).

Zwenkgras (Fesluca) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Grassen (firamineae). Het onderscheidt zich door gesteelde, veelbloemige, lancetvormige, aan de rugzijde bolronde bloempakjes met korte kelkkafjes en zeer fijn gewimperde kroonkafjes. In ons land kennen wij thans negen soorten van dit geslacht. Van deze noemen wij: schapengras (F. ovina) met wortelvormige bladeren en stengels en een min of meer éenzijdige, aarvormige pluim met fijne ongenaaide of zeer kort genaaide bloempakjes en op heide- en duingronden (vooral op Ameland) groeiend, — rood zwenkgras (F. rubra) met breedere bladeren, altijd genaaide bloempakjes; de plant heeft uitloopers en is in weide- en hooilanden te vinden, -— hard zwenkgras (F. duriuscula), — blauwgroen zwenkgras (F. glauca), — en aschgrauw zwenkgras (F. einerea) met zachtbehaarde of zelfs viltige bloempakjes. De soorten van zwenkgras leveren een uitmuntend voedsel voor de schapen en zijn tevens om haar fijnheid en den gelijkmatigen groei van haar wortelbladeren uitstekend geschikt voor den aanleg van gazons op buitenplaatsen en in tuinen.

Zwentibald of Zwentibold, koning van Lotharingen (895—900), was een onwettige zoon van keizer Arnulf. Hij werd geboren in 871 en ontving zijn naam van zijn doopvader Zwentibald of Swatopluk, vorst van Moravië. Reeds in 889 zocht Arnulf van de Duitsche vorsten de verzekering te verkrijgen, dat deze zoon hem zou opvolgen, maar hij kreeg die slechts voor het geval, dat hem geen mannelijke nakomeling zou geboren worden van zijn wettige gemalin. Na de geboorte van Lodewijk het Kind (893), schonk Arnulf in 894 aan Zwentibald Lotharingen en een gedeelte van Bourgondië als

Sluiten