Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koninkrijk, dat nagenoeg niet onderworpen zou wezen aan Duitschland. Zwentibald regeerde dan ook als onafhankelijk vorst, hij kwam echter in botsing met zijn rijksgrooten en verloor in 899 bij het overlijden van zijn vader eiken steun. Ook de geestelijkheid kwam tegen hem in opstand en huldigde den jeugdigen Lodewijk, toen deze in 900 door zijn voogden naar Diedenhofen werd gebracht. Zwentibald sneuvelde daarop reeds den 13den Augustus van dat jaar aan den benedenloop van de Maas in den strijd tegen afvallige graven.

Zwermsporen Zie Sporen.

Zwettl. een stad in Neder-Oostenrijk, ligt aan de rivier de Groote Kamp, aan den mond van de Zwettl en aan een spoorweg. Zij bezit oude muren en torens, een rechtbank, een meisjesschool, een school voor vlechtwerk, een spaarkas, een ziekenhuis en (1900) 3 575 inwoners. Er is eenige nijverheid en er worden drukke graan- en veemarkten gehouden. Zij is merkwaardig door een abdij der Cisterciënsers, in 1138 door Hadmarus van Kueffarn in het bekoorlijk dal der Kamp gesticht. Deze abdij bevat een kerk in spitsboogstijl en een belangrijke bibliotheek met vele handschriften. In het dal van de Kamp ligt ook de landbouwschool Edelhof.

Zwevende veren. Zie Brug.

Zwezerik is de naam van de thymusklier (glandula thymus) van het kalf, die bij dit dier in de beide eerste levensjaren zeer ontwikkeld is en als een lekkernij wordt beschouwd. De thymusklier ligt bij de gewervelde dieren in het bovenste gedeelte van de borstholte en in den hals, bij de krokodillen en de vogels reikt zij van de onderkaak tot aan het hartzakje, bij de zoogdieren is zij korter. Zij is bij het jonge dier meer ontwikkeld dan bij het volwassene. Bij de visschen staat zij in verband met de kieuwen. De thymusklier is een lympheklier zonder afvoerbuis. Bij den mensch ligt zij achter het handvatsel van het borstbeen, weegt 4—34 gr., is grauwachtig rood, meest driehoekig en bestaat uit 2 zijstukken, die door een smaller middelgedeelte zijn verbonden. Ongeveer na het tweede jaar groeit zij niet meer, blijft tot omstreeks het 15de jaar stationnair en verandert dan langzamerhand in een vetweefsel.

Zwichem. Wigle van Aytta van of Viglius ab Aytta Swichemius, een Nederlandsch staatsman, geboren in 1507 op Barrahuis,niet ver van Leeuwarden en door zijn oom van vaderszijde Barend Bucho van Aytta (een Friesch edelman,eerst pastoor te Huizum, toen raadsheer bij Georg van Saksen, daarna bij KarelV en eindelijk in het Hof te 's Gravenhage) als zoon aangenomen, studeerde eerst te Deventer, toen te Leiden en daarop nog 4 jaar te Leuven, trok vervolgens naar Dole in Bourgondië en bleef aldaar om er de beginselen van het Romeinsch rechtte onderwijzen. In dezen tijd trad hij in briefwisseling met Desiderius Erasmus. In 1528 overleed zijn oom Barend Bucho van Aytta, die hem een belangrijke bibliotheek en een aanzienlijke som gelds naliet. In 1529 begaf Viglius zich naar Avignon, om de lessen te hooren van den beroemden Alciatus, die echter wegens het heerschen van de pest naar Bourges vertrokken was. In laatstgenoemd jaar promoveerde Viglius te Valence in de rechten en trok toen naar Bourges, waar hij twee jaar in plaats van den inmiddels naar Italië beroepen Alciatus het hoogleeraarsambt in de rechten bekleedde en zijn „Jurisconsulti Institutiones" schreef. Daarna bezocht hij dehooge-

scholen te Orléans en te Parijs, vervolgens die te Freiburg, Bazel en Tubingen, waar hij kennis aanknoopte met onderscheiden geleerde mannen, hoorde te Padua de lessen vanFranciscus Curtius en werd er in 1532 hoogleeraar in de rechten, Na een jaar deed hij een reis naar Nederland. Het aanbod van een aanzienlijk ambt op het eiland Cyprus wees hij van de hand, evenals het verzoek van Karei V om het onderwijs op zich te nemen van zijn zoon (later Philips 11).Te Venetië vond hij in de bibliotheek van kardinaal Bessarion de „Institutiones Graecae" van Justinianus en stelde die aan Amersbach ter hand, om ze door Frobenius te doen drukken. Op uitnoodiging van Erasmus reisde hij naar Freiburg. Op den terugtocht bracht hij een bezoek aan den vriend van zijn overleden vader, Joannes van Dockum te Keulen en zag zich op voordracht van dezen door Franciscus bisschop van Münster, benoemd tot kerkelijk rechter in diens bisdom. Keizer Karei benoemde hem in 1535 tot asseesor in het Kamergericht te Spiers, hertog Willem van Beieren beriep hem in 1537 tot hoogleeraar in de rechten te Ingolstadt, nadat hij reeds vroeger een dergelijke betrekking te Marburg en te Frankfort aan de Oder had van de hand gewezen. Door den Roomschen koning Ferdinand werd hij met groote voorrechten en eeretitels begiftigd. Karei V riep hem echter naar de Nederlanden terug en belastte hem met de taak, 's keizers rechten op het hertogdom Gelder en het graafschap Zutfen schriftelijk te verdedigen. Hij werd in 1542 lid van den Grooten Raad te Mechelen en in 1544 van den Geheimen Raad te Brussel. Met kardinaal Granvelle en andere Staatslieden werd hij uit Spiers naar Bremen afgevaardigd, om vrede te sluiten met Christiaan 111, koning van Denemarken, en met Jan en Adolf, hertogen van Sleeswijk-Holstein. Nadat hij hierin was geslaagd, zond de keizer hem in 1545 naar den Rijksdag te Worms,om bij het vraagstuk, of deze landen al of niet tot het Duitsche rijk behoorden, de belangen van Karei V te behartigen. In 1549 werd hij voorzitter van den Geheimen Raad, vervolgens zegelbewaarder en ridder in de Orde van het Gulden Vlies en later kanselier van deze orde. Hij genoot in hooge mate de gunst van Karei V, die hem opdroeg, dertien nieuwe leden in het Kamergericht te Spiers te benoemen en de geestelijken aan te wijzen, die door den paus zouden worden opgeroepen, om deel te hebben aan het Concilie van Trente. Verder werd hem opgedragen Pilips 11 aangaande den toestand der Nederlandsche gewesten te onderrichten en met hem, bij de beëediging, door ons land te reizen. Ook nadat Karei V afstand had gedaan, bleef Viglius de gunst van de regeering behouden, hij werd in 1556 lid van den Raad van State en coadjutor van den abt van St. Bavo te Gent, dien hij in 1562 als abt opvolgde. Bij de oprichting van de Consulta (zie aldaar) werd hij met Barlaymont en Granvelle benoemd om daarin zitting te nemen, welke opdracht hij tegen zijn zin aannam. Ook werd hij voorzitter van den Raad van State en van den Geheimen Raad. Viglius was een ijverig voorstander van den Katholieken godsdienst. Reeds in 1550 hadden velen de uitvaardiging van de gestrenge plakkaten aan zijn invloed toegeschreven, welke beschuldiging hij echter in zijn brieven van de hand wees. Hij was een tegenstander van harde maatregelen en wilde door gematigdheid de ketters tot den ouden godsdienst terug brengen. In 1565 werd hij door een

Sluiten