Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoute redevoering van den prins van Oranje in den Raad van State zoo geschokt, dat hij door een beroerte werd getroffen. Toen in 1566 de landvoogdes op de tijding van den Beeldenstorm zich naar Bergen wilde begeven, wist Viglius te bewerken, dat zij in Brussel bleef. De handelwijze van den hertog van Alva stuitte hem zeer tegen de borst en te vergeefs spoorde hij den koning aan tot gematigdheid. In 1570 werden door Alva twee algemeene ordonnantiën uitgevaardigd op de crimineele rechtsoefening en deze, door Viglius opgesteld, zijn lang van kracht gebleven en werden als meesterstukken beschouwd. Herhaaldelijk ontstonden botsingen tusschen den landvoogd en Viglius, o.a. bij de invoering van den Tienden Penning. Laatstgenoemde werd zelfs te Brussel door De Glimes in hechtenis genomen, maar na verloop van weinige weken weder op vrije voeten gesteld. Hij overleed den 8sten Mei 1577 en werd begraven in de kerk van St. Bavo te Gent, waar later een prachtig gedenkteeken verrees te zijner eer. Zijn zinspreuk was, met toespeling op zijn naam: „Vita mortalium vigilia"(Het leven der stervelingen is een nachtwaak). Van zijn geschriften vermelden wij: „Institutiones D. Justiniani etc."(1536), „Justificatio rationum, ob quas, regina Hungariae, Belgii gubernatrix contra decum Cliviae arma sumpsit" (1543), „Commentatio in Titulos X libri II Institutionum de Testamentis", „Commentatio in Titulum Digestorum de rebus creditis etc."(1585), „Commentarius rerum actarum tempore du cis Albani", „Epistolae ad Hopperum" en „Epistolae selectae ad diversos", de laatste drie werken in de „Analeta Belgica" van Hoynck van Papendrecht.

Zwickau. de hoofdstad van een evenzoo genoemd Saksisch arrondissement, dat op bijna 2548 v. km. (1905) 800231 inwoners telt, ligt op den linker oever van de Zwickauer Mulde en is het kruispunt van een aantal spoorwegen. Zij onderscheidt zich in haar oudste wijken door een onregelmatigen, ouderwetschen bouwtrant en is de zetel van het arrondissementsbestuur, van een Hof van appèl, van een arrondissementsrechtbank enz. De belangrijkste van haar 9 kerken is de fraaie Mariakerk van 1118, die sedert 1461 in Gotisch en stijl herbouwd en van 1885 —1891 gerestaureerd is, met een toren van 87 m. en een klok van 5750 k.g. Aan de buitenzijde is zij voorzien van 70 beelden, inwendig is zij versierd met schilderijen van Cranach den Jongere, een vleugelaltaar van Michael Wolgemut en verschillende andere kunstwerken. In de Catharinakerk, gerestaureerd van 1893-1894, vindt men een altaarstuk van Lucas Cranach den Oudere. Van de overige gebouwen noemen wij: het stadhuis van 1581 met een rijk archief, de Lakenhal (van 1522—1524 gebouwd), die thans als concertzaal wordt gebruikt, de gebouwen van de kunstvereeniging met een scl.ilderijenverzameling, het slot Osterstein, dat thans als werkhuis dienst doet, het geboortehuis van Schumann en het huis, waarin Luther en Melancliton gedurende hun verblijf in Zwickau vertoefden.Zwickau bezit een standbeeld van Schumann, een standbeeld van Bismarck en een Bismarckzuil. Men vindt er een gymnasium met een belangrijke bibliotheek van 25 000 deelen, een reaal-gymnasium en een hoogere burgerschool, een handelsschool, een mijnbouwschool, een school voor ingenieurs, een aantal vakscholen, een weeshuis, een vereeniging voor kunst,een mineraJogisch-geologisch kabinet en een aantal liefdadige instellingen. Het

aantal inwoners bedraagt (1905) 68 502. De stad is het middelpunt voor de steenkolenindustrie in het Ertsgebergte. De kolenmijnen aldaar worden reeds in 1348 vermeld; zij worden echter eerst sedert 1823 in het groot ontgonnen. Tegenwoordig zijn daarbij meer dan 13 000 arbeiders werkzaam; de jaarlijksche productie bedraagt ruim 2,5 millioen ton. Buitendien vindt men er belangrijke spinnerijen, weverijen, ijzergieterijen, automobiel- en machinefabrieken, fabrieken voor chemicaliën, porselein, glaswerk, papier, verfwaren, handschoenen, gebreide goederen enz., touwslagerijen, diamantslijperijen en glassnijderijen, molens, pannenbakkerijen, bierbrouwerijen enz. De handel is zeer levendig, vooral in graan, baksteen, hout, steenkool en linnen.

De naam Zwickau wordt verkeerdelijk als Cygnea = Zwanestad verklaard. De plaats, die door de Sorben werd gesticht, lag aan een van de wegen van Halle naar Bohemen en kwam na 1000 snel tot bloei. Aanvankelijk behoorde zij tot het Osterland, vervolgens tot de Pleiszengau, en werd, als rechtstreeks onder het rijksgezag staande, door een voogd bestuurd. Markgraaf Hendrik de Doorluchtige van Meiszen verkreeg vervolgens de stad als onderpand voor de huwelijksgift bij de verloving van zijn zoon Albrecht met Margaretha, een dochter van keizer Frederik II. In 1311 en 1322 werd de markgraaf opnieuw in het bezit van dat pand bevestigd, doch Karei IV veranderde het in een leen. Na den grooten brand van 1403 werd de stad herbouwd en kwam tot steeds grooteren bloei, vooral na de ontdekking der zilvermijnen van den Schneeberg (1470). De Hervorming werd er reeds in 1521 ingevoerd, hier ontstond de secte der Wederdoopers. In den Dertigjarigen Oorlog had Zwickau veel te lijden, eerst in do tweede helft van de vorige eeuw kwam zij opnieuw tot bloei.

Zwickau of Zwickau in Bohemen, een stad in het Boheemsche distrikt Gabel, ligt aan den voet van het Lausitzer Gebergte en aan een spoorweg. De stad bezit een rechtbank, een ziekenhuis, bontweverijen, ververijen, een bleekerij, een garenspinnerij, een bierbrouwerij, een stoomzaagmolen. een electrische centrale en telt (1900) 6020 inwoners.

Zwin is de naam van een voormaligen zeearm in Zeeuwsch-Vlaanderen, die eemnaal zoo diep landwaarts doordrong, datAardenburg,Dammeen Brugge langs dit water zeehandel dreven, groote zeegevechten er op plaats hadden, o.a. in 1213 en 1240, en nog in 1406 een Engelsche vloot het Zwin binnenliep. Langzaam echter slibde het dicht, hetgeen een der oorzaken was van Brugge's ondergang als zeehandelsstad. Het noordwestelijk gedeelte bleef het langst open en eerst in 1873 is het laatste gedeelte ervan verdwenen door de bedijking van den WillemLeopoldspolder.

Zwingelen is de naam van een bewerking, die bij de vlasbereiding (zie Vlas) te pas komt om de scheven of brokken van de houtachtige schorsdeelen van de vlasplant af te slaan en af te wrijven. Meestal geschiedt zulks op de zmingelplank oihetzwingelbord. Dit is een 12 dm. hooge, op een voetstuk verticaal geplaatste plank, die van boven in het midden diep ingekerfd is. In die kerf wordt met de linkerhand een bundel gebraakt vlas gelegd, zoodat dit aan de andere zijde der plank naar beneden hangt. Daarop wordt met een hout, zmngelspaan genaamd, dat neerhangend gedeelte zoodanig geklopt, dat de spaan dicht

Sluiten