Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Gallen en Lugano, die door bisschoppen worden 1 bestuurd. Sedert 1876 bestaat er een ChristelijkKatholieke kerk in 11 kantons met een nationaal bisschop aan het hoofd en meer dan 60 000 aanhangers.

Middelen van b est aan. Landbouw, veeteelt, mijnbouw enz. Het productieve land beslaat (1904) een oppervlakte van 30 900 v. km. of 74,8% van de totale oppervlakte. Daarvan neemt het bosch 8650,05 v. km. of 27,7% in, de wijnbergen 288,31 v. km. of 0,93%, landerijen en weiland 22052,03 v. km. of 71,4%. Solothurn, Luzern, Schaffhausen en Freiburg zijn de eenige kantons, die een hoeveelheid graan voldoende, of meer dan voldoende voor de behoeften van de inwoners, verbouwen. Aan granen, meel, peulvruchten, groenten en vruchten werd in 1904 voor ruim 151 millioen franks ingevoerd. De voornaamste landbouwprodukten zijn tarwe en spelt, in de warme streken ook maïs, verder haver, rogge, gerst, aardappelen, peulvruchten, hennep, vlas en tabak. Den besten wijn leveren de kantons Wallis, Waadt en Neuchatel, in 1904 leverde de wijnoogst voor 45 millioen franks; er werd echter nog voor ongeveer 35 millioen franks ingevoerd. Van meer belang dan de landbouw is de veeteelt (zie Alpenveeteelt). In 1901 omvatte de veestapel: runderen 1 340 375, paarden 124 896, muildieren 3077, varkens 555 261, schapen 219 438 en geiten 354 634; het aantal bijenkorven was 242 544. De runderen bestaan voor het grootste deel uit melkkoeien, de uitvoer van boter, kaas en gecondenseerde melk is van groot belang. Doch ook fok- en mestdieren worden in groot aantal gekweekt. In sommige dalen met een zacht klimaat worden zijderupsen geteeld. De jacht is tegenwoordig van weinig belang, zij beperkt zich in de lagere streken tot hazen, reeën, eenden, snippen en patrijzen. In het hooggebergte wordt jacht gemaakt op gemzen, marmotten, sneeuw-, berk-, hazelhoenderen enz. Ook de vossenjacht is van belang. In de meren en rivieren worden jaarlijks jonge visschen gepoot, vooral forellen, houtingen en zalmen. Sedert 1876 staat jacht en vischvangst onder toezicht van de bondsregeering. Ook heeft de bond sedert 1874 het bestuur over de bosschen, die voor dien tijd door een roekelooze ontwouding zeer hadden geleden, aan zich getrokken. Van 1872—1904 werd een oppervlakte van 72,53 v. km. met boomen beplant. De mijnbouw beteekent niet veel. Groote steengroeven bij Biasca, Gurtnellen, St. Tripton en Solothum zijn in exploitatie, zandsteen vindt men bij Bern en Rorschach, anthraciet in het kanton Wallis, asfalt bij Neuchatel, boonerts bij Delémont, keukenzout bij Bex en in de salinen Rheinfelden, Ryburg, Kaiseraugst en Schweizerhalle. Den 14den Juli 1909 werd door de kantons Bazel (stad), Bern, Zurich en St. Gallen de maatschappij: „Vereenigde Zwitsersche Rijnsalinen" opgericht, die de 4 genoemde salinen voor 6 800 000 franks aankocht.' Weldra traden alle kantons tot deze maatschappij toe met uitzondering van Waadt, dat de zoutmijn te Bex exploiteert. In 1908 bedroeg de zoutproduktie 58 820 000 kg. Zwitserland bezit meer dan 500 geneeskrachtige bronnen. Tot de belangrijkste behooren: de koolzure bronnen van Tarasp-Schuls, StMoritz, San Bernardino en Fideris, de zwavelbronnen van Alvaneu, Serneus, Gurnigel, Schinznach en Baden, de staalwateren van Fettan en Stachel-

berg, de aardachtige bronnen van Leuk en Weiszenburg, het alkalische Rosenlauibad, het bitterwater van Birmenstorf, de jood-en broomhoudende bronnen van Wildegg en Saxon en de indifferente bronnen van Pfafers.

Nijverheid. Niettegenstaande het ontbreken van de belangrijkste grondstoffen, is de nijverheid zeer ontwikkeld, tengevolge van de vele wateren, die een goedkoope beweegkracht leveren. In 1905 waren er 1851 599 personen werkzaam bij verschillende takken van nijverheid. Door 92 136 personen werd zij als huisvlijt uitgeoefend. 43% hield zich bezig met de productie van ruwe grondstoffen, 38,7% met de verwerking van de grondstoffen, de overigen waren werkzaam bij de verzending, de administratie enz. De belangrijkste takken van nijverheid zijn: de vervaardiging van katoen, borduuren ander naaldwerk, zijde, machines, uurwerken, bijouterieën en houtsnijwerk. De katoennijverheid heeft haar hoofdzetel in Oost-Zwitserland, vooral in de kantons Zurich, Glarus, St. Gallen, Appenzell, Thurgau en Aargau. In 1905 hielden 38 253 personen zich met katoennijverheid bezig, 65 595 personen met borduur- en ander naaldwerk (35 087 werkten thuis), 59 421 personen met zijdebewerking (36 977 werkten thuis), 36197 met machinebouw en 52 725 personen met uurwerken (12097 werkten thuis). Het aantal stoomketels (zonder de schepen) bedroeg in 1908 5025, het aantal electrische centrales 280. In 1907 waren aan de fabriekswet 7 278 inrichtingen met 307 128 mannelijke en vrouwelijke werkkrachten onderworpen.

Handel en Verkeer. De voornaamste handelssteden zijn Bazel, Genève, Zurich en St. Gallen. In 1908 bedroeg de totale invoer (zonder edele metalen) 1 487 149 157 franks, de totale uitvoer (eveneens zonder edele metalen) 1038 437 422 franks. De invoer van de edele metalen bedroeg bovendien 46 827 446 franks, de uitvoer 21365 553 franks. In

1908 bedroeg de invoer van goederen ZUU,d mimoen franks minder dan in 1907, de uitvoer was 114,5 millioen franks minder. De in- en uitvoer in 1908 (in millioenen franks) bedroeg:

Naam der goederen. Invoer. Uitvoer.

Levensmiddelen 422,8 134,7

Grondstoffen 569,2 126,5

Fabricaten 495,1 772,2

De volgende tabel geeft een overzicht van de waarde (in millioen franks) van de voornaamste artikelen van in- en uitvoer:

I Invoer. ! Uitvoer.

Zijde 1424 '49,0

Zijdewaren 19,9 205,9

Katoen 39,0 2,1

Katoenwaren 74,5 203,7

Wol 21,2 4,9

Wolwaren 66,4 25,0

Vlas, Hennep enz.. 2,1 0,1

Linnenwaren 15,0 2,7

Steenkool 94,9 —

Ruw ijzer 48,3 2,8

Ijzerwaren 46,3 18,0

Machines 37,0 77,1

Andere onedele metalen.. 29,9 i 4,1

Sluiten