Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen Zurich en Schwyz, waarin het Eedgenootschap de zijde van Schwyz koos. Zurich sloot den 17den Juni 1422 een verbond met keizer Frederik 111 op wiens verzoek de Fransche dauphin met 30 000 Armagnacs (zie aldaar) Zwitserland binnentrok. Na een heldhaftige verdediging van 1500 Eedgenooten bij St. Jakob aan de Birs (26 Augustus 1444) kwam de Vrede van Ensisheim tot stand (28 October 1444), waarop later (27 Februari 1453) een verdrag van Zwitserland en Frankrijk volgde. Zurich moest den 13den Juli 1450 het verbond met Oostenrijk opgeven en de Zwitsersche bond werd opnieuw bevestigd. Daar Oostenrijk geen volledigen afstand van zijn voormalige bezittingen wilde doen, ontnamen de Eedgenooten op aansporing van paus Pius II, Thurgau aan hertog Sigismund van Tirol. Tegen den Oostenrijkschen adel ondernamen zij den tocht naar de Sundgau. Bij den Vrede van Waldshut (27 Augustus 1468) werd Sigismund gedwongen als vergoeding voor oorlogskosten aan de Zwitsers het Zwarte Woud met Waldshut te verpanden. Sigismund trachtte de hulp van Karei den Stoute van Bourgondië te verkrijgen door de verpanding van zijn bezittingen aan den Boven-Rijn (1469). Hij kreeg van dezen vorst echter weinig hulp, waarom hij door bemiddeling van Lodewijk IX van Frankrijk met de Eedgenooten een verdrag, de zoogenaamde „Eeuwige Richting"(ll Juni 1474) sloot, waarop een verbond tusschen de Zwitsers,Sigismund en de rijkssteden in den Elsasz volgde. Het verbond had ten doel de verpande Oostenrijksche landen aan Karei te ontnemen. Den 13den November 1474 versloegen de Zwitsers een Bourgondisch leger bij Héricourt, den 2den Maart 1476 behaalden zij een schitterende overwinning bij Grandson, den 22stcn Juni bij Murten. Vervolgens trokken zij, om den hertog van Lotharingen bij te staan, naar Nancy, waar den 5den Januari 1477 een slag geleverd werd, in welken slag Karei sneuvelde. In het volgende jaar ondernamen zij een tocht tegen Milaan en kwamen door een overwinning bij Giornico (28 December 1478) voor goed in het bezit van het reeds vroeger (1403—1440) veroverde Livinendal.

Na de oorlog met Bourgondië werd het meer en meer gewoonte, dat inwoners van Zwitserland zich in vreemden krijgsdienst begaven. De Europeesche mogendheden, vooral Frankrijk, betaalden aanzienlijke jaargelden aan de kantons, terwijl zij in het geheim groote sommen aan invloedrijke personen uitkeerden, en kregen daarvoor verlof soldaten aan te werven. Op deze wijze kwamen weliswaar groote sommen in het land, zoodat veel geld voor verschillende doeleinden kon worden uitgegeven, op het volkskarakter hadden deze toestanden echter een ongunstigen invloed. Daarbij kwam de naijver tusschen de steden en het platte land, die den binnenlandschen vrede in gevaar bracht. Deze naijver trad vooral duidelijk in het licht, toen Freiburg en Solothurn, vroegere bondgenooten van Bern, aanvrage deden, om in den Bond te worden opgenomen, waartegen het land zich met kracht verzette. Daarop sloten de steden met Freiburg en Solothurn een afzonderlijk verbond, de landbewoners antwoordden door de inwoners van Luzern tot een opstand aan te zetten. Na lange onderhandelingen gelukte het, vooral door den invloed van Nicolaus von der Flue, den vromen broeder Klaus, den vrede te herstellen. Volgens het Verdrag van Stanz (22 December 1481)

werd het verbond van de steden opgeheven, Solothurn en Freiburg werden in het Eedgenootschap opgenomen en de verschülende steden en landen deden elkander de beloften van onderlingen vrede en eenigheid.

De band, welke de Eedgenooten met het Duitsche rijk verbonden, was langzamerhand zwakker geworden, door de keizers uit het Habsburgsche huis werden zij voortdurend met wantrouwen bejegend en de republiek nam ondanks haar macht geen belangrijke plaats in het Duitsche rijk in. Nadat door de Bourgondische oorlogen hun macht algemeen was erkend, maakten de Zwitsers aanspraak op de rechten van een onafhankelijken staat. Zij weigerden daarom de besluiten van den Rijksdag te Worms (1495) omtrent de jurisdictie van het Kamergerecht en de belastingen te erkennen en tot den algemeenen penning bij te dragen. Het Kamergerecht nam nochtans aanklachten tegen leden van het Eedgenootschap aan en deed hen in den rijksban, waardoor de verbittering meer en meer toenam en een oorlog voorbereid werd. Deze kwam tot een uitbarsting, toen de Raetische bondgenootschappen, die onder invloed van Oostenrijk gestaan hadden, in 1498 tot het eedgenootschap toetraden. Reeds de eerste gevechten in dezen zoogenaamden Zwabischen oorlog (Februari 1499) gaven blijk van gebrekkigheid van het Duitsche leger tegenover de krijgshaftige en geoefende Zwitsers. Bij Dorneck an der Birs werd een aanzienlijk keizerlijk leger onder graaf von Fürstenberg door Zwitsers overvallen en verslagen (22 Juli 1499). De gedurige nederlagen en de onmogelijkheid, om een goed toegerust leger in het veld te brengen, ontnamen aan keizer Maximiliaan de hoop, dat hij de Zwitsers met geweld ten onder zou kunnen brengen. Door bemiddeling van Lodovico Moros van Milaan kwam de Vrede van Bazel tot stand (22 September 1499), waarbij de Zwitsers werden vrijgesteld van de rijksbelastingen en van alle onderworpenheid aan het Kamergerecht, zoodat zij feitelijk geheel en al onafhankelijk werden van liet Duitsche rijk. Deze onafhankelijkheid werd echter eerst bij denVrede van Munsteruitdrukkelijkerkend. Aan de Italiaansehe oorlogen in den aanvang der 16de eeuw namen de Eedgenooten levendig deel. Met behulp van Zwitsersche soldaten kreeg Karei VIII van Frankrijk in 1494 voor korten tijd Napels in bezit, in 1500 kwam Lodewijk XII, eveneens met behulp van Zwitsers, in het bezit van Milaan, nadat Lodovico Moro door zijn hulptroepen, samengesteld uit Duitschers en Zwitsers verlaten was. Paus Julius II wist echter door bemiddeling van kardinaal Schinner, bisschop van Sitten, de Zwitsers over te halen tot zijn plan, n.1. verdrijving van de Franschen uit Italië. Als bondgenooten van den paus brachten zij in 1512 Maximiliaan Sforza, den zoon van Lodovico Moro, wederom op den hertogelijken zetel te Milaan, den 6den Juni 1513 behaalden zij de overwinning op de Franschen bij Novara, waardoor dezen uit Italië werden verdreven. De Eedgenooten kwamen nu in het bezit van Lugano, Mendrisio, Locarno, Valmaggia, Bormio, Veltlin en Chiavenna, terwijl zij reeds in 1503 van Lodewijk XII de voogdijschappen Bellinzona, Blegno en Riviera hadden gekregen. Frans I, de opvolger van Lodewijk XII, behaalde echter in den reuzenslag bij Marignano (13 en 14 September 1515) de overwinning op de Zwitsers, waarop den 29stca November 1516_een

Sluiten