Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het staatsspoor aan omstreeks 900 arbeiders een bestaan. In de nabijheid van de stad ligt de Sint Agnietenberg.waar zich vroeger het klooster bevond, waarin Thomas d Kempis werkte en het Nieuwe of Engelsche werk aan den IJssel. Veel bezocht wordt ook Katerveer in de gemeente Zwollerkerspel en Molencate en de Trijselen- of Trijsenberg in de gemeente Hattem.

Zwolle is een oude stad. Zij wordt vermeld in een oorkonde van 1040, waarin de bisschop van Utrecht de kerk, die zich toen op de plaats van de Groote kerk bevond, aan het kapittel van Deventer schonk. Het grondgebied van het tegenwoordige Zwolle bestond, onder den naam van Swollermarke uit 3 deelen, n. 1. Swolle, Middelwijk en Assendorp. Het eerste en een stuk van het tweede deel verkreeg in 1230 stedelijke rechten en werd ommuurd. De stad nam weldra in bloei toe. In 1324 werd zij door den heer Van Voorst in brand gestoken, zij werd echter weldra herbouwd. Haar rechten werden in 1346 uitgebreid, waarop zij in het Hanzeverbond werd opgenomen. In 1488 ontving zij van keizer Frederik III het muntrecht. In 1521 nam zij Karei van Gelder als beschermer aan, deze deed in 1524 vergeefsche pogingen om zich als opperheer te doen huldigen, in 1528 erkende Zwolle Karei V alsheerscher. In 1572 koos de stad de zijde van den prins, zij gaf zich echter weldra aan don Frederik over, opende vervolgens haar poorten voor Rennenberg en sloot zich in 1579 bij de Unie van Utrecht aan. In 1672 gaf zij zich aan den bisschop van Munster over, in 1674 trok de vijand af. De stad ontving in 1790 verlof de wallen, die in 1614 waren aangelegd, te slechten.

Zwollerkerspel, een gemeente in de provincie Overijsel, 14344 H. A. groot met (1910) 6667 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Zalk c. a., Wilsum, IJselmuiden, Grafhorst, Genemuiden, Zwartsluis, Hasselt, Staphorst, Nieuwleusen, Dalfsen, Heinoo, Wijhe en Heerde. Zij omsluit de gemeente Zwolle. De bodem bestaat uit klei, zand en veen. Veeteelt, zuivelbereiding en landbouw zijn de voornaamste middelen van bestaan. Verder zijn er steenbakkerijen. Tot de gemeente behooren: het dorp Windesheim, een deel van het dorp Mastenbroek en een aantal buurten en gehuchten. Bij den mond van den IJsel endeWillemslaanligt Katerveer.

Zwolsche Diep. Zie Zwarte Water.

Zwornik. Zvornik of Isvornik, een stad en vesting in Bosnië, in het arrondissement Toezla, op den linker oever van de Drina, heeft een citadel, ruïnen van een Franciscaner klooster uit de löae eeuw en een rechtbank, bloeit door een aanzienlijken houthandel en door de nabijgelegen loodmijnen en telt 3382 meest Mohammedaansche inwoners. Aan de overzijde, op den rechter oever der rivier, verheft zich Mali Zwornik, dat tot Servië behoort. Zwornik werd den 27Bten September 1878 door de Oostenrijkers bezet. In de nabijheid vindt men ruïnen van het slot Skocic en de bekende bedevaartsplaats Tavna.

Zwijn. Zie Varken.

Zwijndrecht, een gemeente in de provincie Zuid-Holland, 1609 H. A. groot, met (1910) 7091 inwoners, beslaat het oostelijk deel van de Zwijndrechsche Waard en wordt begrensd door de gemeenten Dordrecht, Dubbeldam, 's Gravendeel, Groote Lint, Hendrik Ido Ambacht en Papendrecht. Zij wordt

gedeeltelijk begrensd door de Merwede en de Oude Maas. De bodem bestaat uit zeeklei. Nijverheid, groenteteelt en landbouw zijn de voornaamste middelen van bestaan. De heerlijkheid Zwijndrecht komt ook onder den naam Schobbelandsambacht voor.

Het dorp Zwijndrecht ligt langs de Merwede en de Oude Maas aan den dijk van de Zwijndrechtsche Waard tegenover Dordrecht. Er is een station van de spoorlijn Rotterdam-Dordrecht, voor welke lijn hier een brug over de Maas is gebouwd. In een oorkonde van 1 000 wordt de plaats als Zwindrecht vermeld.

Zwijnen. Zie Varken.

Zwijnengras of Varkensgras. Zie Duizendknoop.

Zwijnenhaar of Nardus stieta. Zie Borstelgras.

Zijde noemt men den draad, die door de zijderups uit een door een klier afgescheiden taai vocht gesponnen wordt, waarvan zij een cocon vormt, die de pop moet omhullen. Het afgescheiden vocht, zoo dik als honig, komt uit twee openingen in het spinbuisje van de onderlip van de rups en vereenigt zich tot een enkelen draad, welke terstond hard wordt in de lucht. De rups vervaardigt eerst een los, grof en doorzichtig spinsel, vloszijde genaamd, daarbinnen een dichte, eivormige cocon ter lengte van 33—36 mm. met een dwarse middellijn van 20— 25 mm. en met een perkamentachtige binnenste laag. Daar het eerste en laatste gedeelte voor het spinnen van zijde onbruikbaar is, verkrijgt men van ongeveer 3 .000 m., de lengte van den geheelen draad van een cocon, slechts 300—600, zelden 900 m. goede zijde. Men heeft gemiddeld 540 cocons. Ruwe zijde is wit, licht of donkergeel, ook wel roodachtig of bruinachtig; 2570 tot 3650 m. van den enkelvoudigen cocondraad wegen 1 gr. De draad is plat, heeft een middellijn van 0,018— 0,026 mm., kan ten bedrage van 15 tot 20% van de lengte worden uitgerekt en heeft 1/3 der vastheid van ijzerdraad van dezelfde dikte. Hij bestaat voor 66% uit een stikstof houdende vezelstof (fibroïne) en voor 33% uit zijdelijm of sericine, die de kleur aan den draad geeft en hem ruw, hard en stijf maakt. Is de zijde van deze lijm bevrijd, dan heeft zij een soortelijk gewicht van 1,3, ze lost op in koperoxied-ammoniak, in alkalische loogen, in geconcentreerd zwavelzuur, salpeterzuur en zoutzuur, minder goed in azijnzuur, en vertoont zich, als zij uit zulke oplossingen wordt afgescheiden, steeds in de gedaante van draden. Ruwe zijde laat 0,6% asch achter.

Daar de vlinder bij het uitkomen van de pop de cocon bevochtigt, weekt en doorboort, waardoor de draad gescheurd wordt, moet de pop voor het uitkomen gedood worden. Dit geschiedt in een oven of in door verwarmde lucht verhitte ruimten, die door waterdamp vochtig gehouden worden, bij een temperatuur van 100—110° C. Nadat zij vervolgens zorgvuldig gesorteerd zijn, worden zij afgehaspeld op den zijdehaspel (zie de afbeelding). Nadat de cocons door middel van stoom of warm water geweekt zijn, legt men ze op de doorboorde porceleinen schaal, die zich in den bak a bevindt. Deze bak is gevuld met water van 60—70° C. Door de borstel b op en neer te bewegen, wordt de vloszijde losgemaakt en het begin van de draden verkregen. Vervolgens

Sluiten