Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengt men ze in c (bacinelle), waarin water van 60—60° is, vereenigt de begindraden van eenige cocons tot één draad, die men door de glazen oogjes 1 en 2, door den draadleider 3 en 4, over de rol 5 door den draadleider 6 naar den zesarmigen haspel H brengt, die door riemen en raderen in beweging wordt gebracht. Tussclien 2 en 3 en 4 en 5 worden de deelen van den draad om elkander heen geslingerd, om de afzonderlijke cocondraden tegen elkander te drukken en daardoor af te wrijven, af te ronden en glad te maken. De draadleider 6 zit aan een stang d (loopstok), die door de as e vlug heen en weer bewogen wordt, zoodat de draad in schroefvormige windingen om den haspel wordt gelegd. Om te remmen dient de klos i. die door de trede f bewogen wordt. De haspel H is in een trommel G geplaatst, die van vensters en van een stoombuis r is voorzien, waardoor de draden gelijkmatig drogen. Tengevolge

Zijdehaspel.

van het door het water geweekt zijdelijm kleven de cocondraden aan elkander en vormen zonder gedraaid te zijn een tamelijk sterken draad, die dadelijk op den haspel gewikkeld wordt. Deze gehaspelde zijde noemt men ook ruwe zijde of grège zijde. Het gewicht van de gehaspelde zijde is ongeveer gelijk aan het achtste deel van het gewicht van de cocon met de pop. Dikwijls wordt deze zijde daarna nog gesponnen (zie Spinnen).

Ruwe zijde is hard, stijf en zonder glans; men gebruikt haar tot het vervaardigen van gaas en blondes. Meestal echter bevrijdt men haar van lijm en kleurstof, waardoor zij glanzig en zacht wordt. Hiertoe behandelt men haar met een sterke zeepoplossing bij 90° C., pakt ze in linnen zakken en kookt ze vervolgens uit in een slappere zeepoplossing, om ze eindelijk af te spoelen en te drogen. Goede zijde ondergaat hierbij een gewichtsverlies van 27%. De cocondraden zijn dan weder van elkander gescheiden en de zijde heeft een losser voorkomen. De kleuren zijn daarbij ook verdwenen; de zijde is wit en kan met lichte kleurstoffen geverfd worden. Moet zij wit blijven, dan wordt zij met zwaveligzuur gebleekt, waarna men haar met een indigooplossing een blauwachtige, met orlean een roodachtige tint geeft. Ruwe zijde kan ook ongekookt gebleekt worden, wanneer men ze twee etmalen laat trekken op een mengsel van 1 deel zoutzuur en 23 deelen wijngeest. Van den afval der cocons verkrijgt men de floretzijde. Zijde is buitengewoon hy-

groskopisch; zij neemt op vochtige plaatsen tot 30% vocht op, zonder dat men dit kan zien. Voor den handel wordt zij daarom in bijzondere proefinrichtingen gebracht en bij een temperatuur van 20—30° gedroogd, waarna haar waarde wordt bepaald. Behalve de zoogenaamde echte zijde, die van de zijderups (bornbyx mori) afkomstig is, is de wilde zijde, die men van andere rupsen, zooals de tussahrups, de eikenzijderups, de ailanthusrups enz. verkrijgt, van belang (zie Zijdespinners). Een surrogaat van de echte zijde is de kunstzijde of collodiumzijde (zie aldaar). Zie verder Textielnijverheid.

Zijderups ook wel Zijdeivorm geheeten, is de naam van de larve van den moerbeziezijdespinner (bombyx mori), een vlinder uit de groep van de zijdespinners (zie aldaar). Deze vlinder is 32 tot 38 mm. lang, meelkleurig of parelgrijs, met licht geelbruine dwarsbanden op de vleugels en sprieten met zwarte kammen. Hij behoort waarschijnlijk te huis in China en wordt ten behoeve van de zijdeteelt aldaar, in Japan, Indië en Europa aangekweekt. Zijn eieren zijn ovaal, eenigszins plat, 1 tot l'/a nim. lang,, leikleurig met een blauwe, paarse of groene tint en kunnen den winter overblijven. De rups is donkerbruin, maar wordt na de eerste vervelling parelgrijs met een bruin- of geelachtigen weerschijn. Sommige verscheidenheden zijn donkergrijs of fluweelzwart of over het geheele lichaam van donkere dwarsstrepen voorzien. Op den elfden ring heeft zij op de rugzijde een spoor, van deze tot aan den kop loopt een blauwachtig grijze band; op den derden en achtsten ring ziet men twee sikkelvormige vlekken,

die echter bij eenige verscheidenheden ontureKen. De spinklieren der rups (fig. l) bestaan uit een sterk gewonden buis,aan wier achterste gedeelte de grond-

Fig. 1.

Spinklier der zijderups.

stof voor de zijde wordt afgescheiden; deze komt vervolgens in het middelste gedeelte in een vergaderplaats en ten tijde van het inspinnen vandaar langs dunne buizen in het spinbuisje, aan de onderlip van den kop geplaatst. De rups vervelt viermaal. Dertig tot vijfendertig dagen na het uitkomen, is zij gereed om zich in te spinnen. De spinstof komt uit twee kleine openingen aan de onderlip te voorschijn en vormt een draad, die in de lucht onmiddellijk hard wordt. De rups maakt voortdurend met den kop co-vormige bewegingen, waardoor zij om zich heen een groot aantal draadwindingen legt, zoodat zij weldra in een dicht spinsel van een langen draad (cocon) is ingesloten (zie Zijde). De cocon is eivormig en kan geel, groen of wit wezen. Door kruising verkrijgt men vele schakeeringen. Acht dagen na het inspinnen verpopt de rups (fig. 2 en 3) en acht dagen later komt de vlinder te voorschijn. Spoedig daarna begint de paring, die 6 tot 8 uren duurt, en vervolgens legt het wijfje na enkele dagen omstreeks 400 eieren,waarna de vlinders sterven. Bij de zijderupsenteelt worden in het voorjaar, eenige dagen voor het groen worden van de moerbezieboomen de eieren in een broedkamer gebracht,

Sluiten