Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in gewicht af. Sommige van deze vlindersoorten zijn met goed gevolg in Europa aangekweekt, zooals de tussahspinner uit Indië (antheraea mylitta, antheraea paphia); de eikenzijdespinner uit Noord-China (antheraea pernyi), waarvan de zijde ten onrechte ook tussahzijde wordt genoemd; de eikenspinner uit Japan (antheraea yamamayu), die in 1863 door Pompe van Meerdervoort naar Frankrijk werd gebracht; de ailanthusspinner van China en Japan (attacus cynthia), die op de ailanthus en de ricinus leeft, in 1856 door Fanloni uit China naar Europa werd gebracht en sedert 1885 in Frankrijk wordt gekweekt; en de Zuid-Amerikaansche zijdespinner (samia cecropia).

Zijdestaart. Zie Pestvogel.

Zijdeworm. Zie Zijderups.

Zyg-aena malleus (Hamerhaai). Zie Haaivisschen (Squalides).

Zyg-opetalum is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Orchideeën. Het onderscheidt zich door gelijke, uitgespreide bloemkroonbladeren, die met de verlengde basis van den stijl zijn samengegroeid, door een afstaande lip met een opstaanden nagel en door onvolkomen tweehokkige helmhokjes met twee stuifmeelklompjes'. Tot de soorten behooren vele fraaie sierplanten, zooals Z. africanum Hook van Siërra Leone met lancetvormige bladeren, een stengel ter hoogte van 1 m., met een tros vrije groote, groen, rood en wit gekleurde bloemen, — Z. cochleare Lodl. van Trinidad en Brazilië, een der schoonste soorten, met sierlijke zwart geaderde, welriekende bloemen, — Z. crinitum Lodd. uit Brazilië, een prachtige soort met lancetvormige bladeren en een sierlijken tros groote, bruin gevlekte bloemen, — Z. Makaii Hook uit Brazilië met prachtige, groote, bruinrood gevlekte bloemen, — Z. Murrayanum Gaertn. van het Braziliaansche Orgelgebergte met groene bloemen, versierd met een witte, rood gevlekte lip, — en Z. rostratum Hook. uit Demerary met lancetvormige bladeren en groene, lichtrood gevlekte bloemkroonbladen.

Zygrophylleeën is de naam van een tweezaadlobbige plantenfamilie. Zij omvat kruiden, heesters en boomen met tegenovergestelde, meestal even-gevinde, doorgaans éénjukkige bladeren, waarvan de bladsteel boven het éénige paar vinblaadjes als een korte top uitsteekt, en overblijvende, somtijds doornachtige steunblaadjes. De bloemen zijn tweeslachtig, regelmatig wit, blauw of rood, maar veelal geel en staan op éénbloemige stelen in de bladoksels. De overblijvende kelk is vierof vijfdeelig en in den knop dakpansgewijs geplaatst De bloembladeren komen in gelijken getale voor als de kelkbladeren en zijn afwisselend met deze op den bloembodem ingeplant en eveneens dakpansgewijs gedraaid in den knop. Aldaar staan ook de meeldraden in dubbelen getale van de kelk- of de bloembladeren en zijn in twee cirkelvormige rijen gerangschikt, van welke de buitenste tegenover de kelkbladeren is geplaatst. De helmdraden zijn draadvormig en aan de basis meestal met een schubje voorzien; de helmknoppen zijn binnenwaarts gekeerd, tweehokkig en overlangs openspringend. Het bovenstandig vruchtbeginsel rust op een bollen bloembodem en is aan de basis meestal van hypogyne klieren omgeven. Het is min of meer gegroefd, meestal vier- of vijfhokkig en bevat in elk hokje 2

of 3 hangende, anatrope, zelden orthotrope zaadknoppen. Het aantal stijlen komt overeen met dat der hokken, maar zij zijn ook wel tot een enkelen stijl vereenigd; de stempel is enkelvoudig of 4- of 5-lobbig. De vrucht is meestal een hokkige of gevleugelde, somtijds met wratten en dorens bezette doosvrucht met 4 of 5 hokken, die óf openspringen óf in 2-kleppige vruchten veranderen óf gesloten blijven. De zaden zijn eenigszins samengedrukt; zij hebben een vliezige huid, zijn meestal kraakbeenig en hebben zelden in het geheel geen kiemwit; in dit laatste bevindt zich een groene, rechte of flauwe gekromde kiem met bladvormige zaadlobben. Men kent van deze familie ongeveer 50 soorten in 5 geslachten, die meestal in de warme landen buiten de keerkringen voorkomen. Het hout en de bast bevatten harsachtige bestanddeelen en onderscheiden zich door bittere en scherpe eigenschappen. De bladeren hebben een sterken, onaangenamen reuken bevatten eveneens wel eens samentrekkende stoffen. Onderscheiden soorten behooren trouwens tot de geneeskrachtige gewassen en de boomen van deze familie hebben meestal hard en zwaar hout, bijv. dat van Guajacum officinale uit West-Indië, waarvan het pakhout afkomstig is.

Zyg-ophyllum is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Zygophyllee'én. Het onderscheidt zich door een 5-bladerigen kelk, een 5bladerige bloemkroon, door meeldraden, die aan den voet voorzien zijn van honigschubben, die het vruchtbeginsel bedekken, en door een langwerpige, 5-hokkige, ö-kleppige, veelzadige doosvrucht. Het omvat kruiden en heesters met vleezige, gevinde bladeren, vleezige steunbladen en alleenstaande, okselstandige bloemen. Zij groeien meerendeels in Afrika en in Midden-Azië. Van de talrijke soorten vermelden wij: Z. Fabago L. met even gevinde bladeren, omgekeerd eivormige blaadjes, opstaande bloemen, een onbehaarden kelk en gave bloembladeren; deze groeit in Syrië, en wordt ook in Europa in bloemtuinen gekweekt. Wanneer men dit kruid kneust, riekt het onaangenaam; het is bitter van smaak en wordt als een wormdrijvend middel gebruikt; — Z. foetidum Schrad. et Wendl., aan de Kaap de Goede Hoop groeiend, met fraaie, goudgele bloemen en een onaangenamen reuk; — Z. rmculatum Ait., eveneens aan de Kaap de Goede Hoop te vinden, met drie gevlekte bloemkroonbladeren; — Z. Morgsana L., ook aan de Kaap de Goede Hoop te huis behoorend, met overhangende, sierlijke, gele bloemen; — en Z. sessilifolium L., mede aan de Kaap de Goede Hoop inheemsch, met ongesteelde bladeren en witte bloemen. Laatstgenoemde vier soorten vindt men in onze noordelijke streken in de warme kassen.

Zyg-csporen of Zygoten noemt men de sporen, die door samenvloeiing van de protoplasten van twee gelijke cellen ontstaan, zooals bijv. het geval is bij sommige algen (zie aldaar).

Zygoten. Zie Zygosporen.

Zijl, L., een HoUandsch beeldhouwer, te Amsterdam woonachtig, is vooral bekend door de beeldhouwwerken, waarmede hij de gebouwen van den architect Berlage versierde.

Zijl. Otto van, een Nederlandsch geschiedkundige, geboren te Utrecht den 30sten Juli 1588, studeerde aldaar in de oude talen, trad op zijn 19de jaar in de Orde der Jezuïeten, gaf te Roermond onderwijs

Sluiten