Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L. Dane te Kaboel, vooral echter na den ongunstigen afloop voor Rusland van den oorlog tegen Japan.Den gisten Maart 1905 had dan ook de hernieuwing plaats van de overeenkomst, tusschen Abd-er-Rahinan en de Britsch-Indische regeering gesloten, omtrent een jaarlijksche toelage. Op het einde van Februari 1907 kon de emir aan den lang gekoesterden wensch gevolg geven om persoonlijk een bezoek aan BritschIndië te brengen. Den 31sten Augustus 1907 eindelijk kwam een Engelsch-Russische overeenkomst tot stand, waarbij Engeland zich verbond zijn invloed in Afghanistan alleen op vreedzame wijze te vergrooten, het land niet te zullen bezetten, noch zich met zijn inwendige aangelegenheden te zullen bemoeien, terwijl Rusland verklaarde, dat Afghanistan buiten zijn belangensfeer lag. Viel het den emir al moeilijk te dulden, dat hij bij het aangaan van deze overeenkomst in het geheel niet gekend werd, toch gelukte het hem, de goede verstandhouding met Engeland, zelfs tegen nationale invloeden in, te handhaven. Een belangrijk gevolg van de EngelschRussische overeenkomst was de tenuitvoerlegging van de plannen omtrent een spoorweg Chaman— Koetsjk, die over een lengte van ongeveer 600 km. het land zal doorsnijden.

Afrika Onldekkingsgeschiedenis. In het jaar 19 0 4 hadden vele belangrijke tochten plaats. De Fransch-Engelsche overeenkomst van den 88ten April 1904, waarbij aan Frankrijk Marokko als belangensfeer werd toegewezen en de grensregelingen tusschen Fransch en Portugeesch Guinea, tusschen Liberia en het aangrenzende Engelsche gebied, tusschen de Engelsche Goudkust en Togoland en aan de O.grens van Duitsch Z. W. Afrika, gaven aanleiding tot het optreden van even zoovele grenscommissies. Behalve de met hare werkzaamheden verbonden reizen, waartoe o. a. de reeds vermelde Jola-expeditie behoort, moet vooral vermeld worden de sedert den tocht van Caillié (1828) niet meer ondernomen reis dwars door de Sahara tusschen Algerië en den boog van den Niger. Laperrine trok n.1. van Insalah uit zuidwaarts, ontmoette te Timauin Theveniaut, die van Timboektoe over Koendoega en Wadi Telemsi was gekomen, en beide expedities betraden daarop met Villatte als eerste Europeanen de gemiddeld 800 m. hooge Adrar-hoogvlakte. In hetzelfde jaar stelden cCAdhèmar en Audouin vast, dat er een waterscheiding bestaat tusschen de ToeboeriendeLogone en dat de eerste slechts bij uitzondering en met groote bezwaren bevaarbaar is. Een Duitsche expeditie onder Uhlig, Gungert en Jager beklom den Kibo, waarop het ijs sedert 1901 sterk was afgesmolten, en den Meroe, een nog werkzame vulkaan. W.lijk van Ngaroeka vond zij drie, tot 3700 m. hooge, uitgedoofde vulkanen, terwijl Uhlig aan de O.zijde van het Victoria Meer, dicht bij de Engelsche grens, jongvulkanische gesteenten aantrof. Een tocht van David voerde eveneens in vulkanisch terrein, n.1. naar den Roewenzori. In O. Afrika slaagde, na een mislukte poging in het voorjaar, Mac Millan er in, om van Chartoem af den Witten Nijl en den Sobat over Nasser en de Baro tot aan Gambela te bevaren, waarna hij over land, dwars over de Gelo, welke zich in het Z. om het Taka-Meer buigt, en door het land van de Boma Abessinië bereikte. A. Voellzkow eindelijk zette zijn studiën, waarmede hij sedert jaren in O. Afrika bezig was, voort op Madagascar, waar hij ze tevens beëindigde.

In 19 0 5 werden de wetenschappelijke reizen in Marokko met hernieuwde kracht aangevat. Gesteund door het Fransche Marokko-Comité, hebben markies de Si'ganzac, de kartograaf de Flotie-Roquevaire en de geoloog L. Gentil het Atlas-gebied onderzocht. Luitenant A. H. Dyé nam in dit jaar en gedeeltelijk ook nog in 1906 de W.kust van Marokko van Tanger tot Agadir op. Gautier, aanvankelijk door Mussel en Chudeau vergezeld, trok dwars door de Sahara over Toeat, het Ahnet-hoogland, In-Ouzil en Gao tot Timboektoe en meende daarbij een voortschrijden van het Soedan-gebied ten koste van de Sahara te kunnen vaststellen. Flye Sainte-Marie was, ook reeds in 1904, tusschen Toeat en Tendoef werkzaam, terwijl Pelet, met het oog op de telegrafische verbinding Toeggoert-Nephta, aan denSjott-elDjerid onderzoekingen verrichtte en de ligging van de oase El-Oued (Soef) bepaalde. Aansluitende aan andere onderzoekingen, bestudeerde de AlexanderGosling-expeditie het gebied van het Tsaad-Meer, waarbij zij, op grond van het aantreffen van gelijke visch soorten, de mogelijkheid van een vroegere verbinding Nijl-Tsjaad-Meer-Niger aantoonde. Nadat zoowel Claude Alexander (1904), als Gosling (1906) overleden waren en de expeditie N. Nigeria had onderzocht, voer zij, onder leiding van Boyd Alexander, langs de Jeï stroomafwaarts tot den Bahr el Gazal, volgde den Nijl tot Chartoem en bereikte in 1907Port Soedan aan de Roode Zee. In het gebied van het Tsaad-Meer was verder nog Faure werkzaam. Van af den Atlantischen Oceaan vond hij een waterweg langs de Binoeë en door de Toeboeri-moerassen. In het gebied van den Bahr el Gazal eindelijk deden Percival, Comyn e. a. pogingen om het riviernet nauwkeuriger te bepalen.

In 19 0 6 werden de onderzoekingen in Marokko voortgezet. Niet alleen Dye werkte er (zie boven), maar een tweede lid van deze expeditie, E. Pobeguin, nam de Beneden-Seboe op. Th. Fischer beëindigde zijn langjarige nasporingen aldaar met een geologisch onderzoek der kustgebieden van Groot-Kabylië, terwijl G. Buchet de resultaten publiceerde van zijn onderzoekingen in N.-Marokko gedurende de jaren 1903-1905. Hij vond een menigte fossiele planten en zeedieren bij Tetoean en bepaalde de grens van het Perm met de Rif-formatie.In O.-Afrikadoortrok een Abessinische strafexpeditie het onbekende gebied tusschen Addis Abeba en het Rudolf-Meer. Abessinië zelf werd door verschillende expedities bezocht. Een Duitsche onder Littmann nam Aksoem op, de Oostenrijkers von Mylius en Biéber waren vooral in het Z., in den staat Jimma-Koka en in Kaffa bezig, een Duitsch-Abessinisch mijnsyndicaat onderzocht onder A. Holtz het concessiegebied tusschen de Gandji Baro en den Bibir Gaba, terwijl de Franschman A. Bozis op een reis van Dsjiboeti naar Harrar en Addis Abeba commerciëele onderzoekingen verrichtte. Zijn landgenoot Collat eindelijk nam, in aansluiting aan opmetingen van Duchesne-Fournet bij den Blauwen Nijl en het Tsana-Meer, Teherteher, Harrar en een gedeelte van Danakilland op. In Erythraea verrichtten Marinelli, Dainelli, Mochi en Loria geologische onderzoekingen, vooral in de gebieden Hamasen, Saroe en Ocoelè-Coesai. Ch. AUuaud bestudeerde de fauna van den Blauwen Nijl, Bonnet de Mezüres stelde in Kordofan een onderzoek in met het oog op den katoenbouw in den Soei dan. Een aantal Duitschers, waaronder Möller, Mul-

Sluiten