Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzettingen. A. Merz publiceerde in 1907 een verhandeling over de klimatologie en hydrografie van Middel-Amerika naar aanleiding van waarnemingen, bij den kanaalbouw op de landengte van Panama en in het stroomgebied van den San Juan verricht. W. Léhmann begon in 1907 met ethnografische waarnemingen in Middel-Amerika en Mexico.

Ter bestudeering van de vulkanische uitbarstingen op Martinique en St. Vincent in W. Indië zond de Fransche academie in 1903 de geologen R. Lacroix, Rollet de Visie en Giraud naar Martinique; de National Geographical Society te Washington zond de geologen R. HUI, J. Russell en den Noor Borchgrevink naar den Mont Pelé en den Soufrière, terwijl J. S. Flett en T. Anderson in opdracht van de Royal Society te Londen St. Vincent bezochten. Heilprin besteeg den Mont Pelé het eerst na de groote uitbarsting. Het Aardrijkskundig Genootschap te Baltimore zond in 1903 een expeditie van 50 deelnemers onder leiding van den geoloog G. B. Shattuck naar de Bahama-Eilanden. Zij vond, dat deze uitsluitend uit koraal en aangespoelde zeeproducten (in hoofdzaak zand) bestaan; de blanke bevolking is door te nauwe bloedverwantschap sterk gedegenereerd. Ook G. Plate onderzocht bijna alle Bahama-Eilanden en wel uitsluitend met geologische doeleinden. G. Millon Fowles publiceerde in 1906 een beschrijving van de toestanden op Porto Rico, sedert dit in Amerikaansch bezit is gekomen. Slechts 20 % van den bodem is in cultuur, 80 % van de bevolking is analfabeet (onder Spaansch bewind 94 %). F. Matt, Andrc Blancau en S. Grieve bestudeerden de maatschappelijke crisis resp. op de eilanden Montserrat, Guadeloupe en Dominica, waarover zij in 1906 rapporten publiceerden. De dierkundigen W. Kükentlial en R. Hartmeyer bestudeerden in 1906 de land- en zeefauna van W. Indië, A. Fischer publiceerde een studie over de wervelstormen, welke de Antillen en de kustlanden van de Golf van Mexico herhaaldelijk teisterden.

In den zomer van 1906 deed A. H. Harrison, nadat hij de eilanden Henschel en Baillie had bezocht, aan boord van een walvischvanger een tocht tot Kaap Kellett op Banksland tot het verrichten van loodingen. In den winter van 1906—1907 deed hij, O.lijk van de monding van de Mackenzie, waarnemingen tot aan Liverpool Baai. J. Iieele onderzocht in 1907 de rivieren Pelly, Rosz en Gravel. Uitgaande van Dawson, bevoer hij den Yoekon en diens zijrivier de Pelly en trok ten slotte de Rosz stroomopwaarts. Hier sloeg hij zijn winterkwartier op, dat half Februari 1908 reeds weder werd verlaten. De 1400 m. hooge waterscheiding met de Mackenzie werd overgetrokken, waarna hij in April de Gravel River en den 18den Juli de Mackenzie zelf bereikte. De grens tusschen Britsch Columbia en Yoekon gaf de landmeter J. N. Wallace van het Testin-Meer in het O. en de Tatskenshini in het W. door grenssteenen aan. G. B. Gordon verkende de in de Mc. Kinleyketen ontspringende Kuskowin, welke hij over haar geheele lengte bevoer. D. Graham onderzocht de kust van Britsch Columbia van Kingcome-Inlet tot aan Dean Channel, met inbegrip van de daarvoorjgelegen eilanden. Mc. Connell en Mc. Laren bepaalden zich bij het onderzoek van het eiland Texada in staat Georgia, Ch. H. Clapp en K. Chipman stelden een onderzoek in naar de geologische gesteldheid van Z.O.lijk Vancouver. In N. Labrador bereisden Mc.

Gregor en de zendeling Grenfell de onbekende gebie" den ten N. van Port Mauvers. De ethnoloog V. SStéfansson bezocht in 1908 de Mackenzie-delta en bestudeerde de stamverwantschap tusschen de Eskimo's en de Indianen. Hij overwinterde in 1908—

1909 aan de Colville River met zijn begeleider Anderson, die dierkundige onderzoekingen deed. In den daaropvolgenden zomer trokken zij O.waarts tot aan Kaap Pary. In den zomer van 1908 bereisde Agnes Deans N. Canada. Van Edmonton vertrok zij naar de Athabasca, terwijl zij de rivieren en meren bevoer, welke naar de Mackenzie leiden. Zij vond strooken tusschen de meren en het Rotsgebergte ter lengte van 1600 km., waarop zomerkoren voortreffelijk gedijt en in 90 dagen rijpt, maar waarvan eerst V20 deel in cultuur is. H. J. Smith bereisde in 1908 Wyoming met een archaeologisch doel. W. W. Atwood werkte in de steenkoolterreinen van Herendeen Baai, Unga Eiland en Matanuska. Het Seward-schiereiland werd in 1908 door P. S. Smith en E. W. Kindie bezocht, terwijl E. F. Henshaw de rivieren verkende. In 1909 ondernam H. J. Smith een archaeologisclie reis naar Britsch Columbia en Alaska. G. fr. Wright bestudeerde het mijngebied van de Prince of Wales-Eilanden, van het Kasaan-schiereiland en van het Cooper Mountain-gebied, terwijl R. H. Sargent belast was met de topografische waarnemingen. Het Aardrijkskundig Genootschap te Washington zond R. Tarr en L. Martin in 1909 voor het verrichten van gletscherstudiën naar Z. O. Alaska (Yakoetat Baai). Op de terugreis bleef de geoloog Leffingwell in Alaska achter. Hij nam de N. kust van Alaska en Canada tusschen Point Barrow en HerschellEiland op. Daarna overwinterde hij op het eiland Flaxman, waarna hij de Canning 80 km. stroomopwaarts in kaart bracht. W. Mc. Clintock bestudeerde gedurende 10 jaren de Zwartvoet-Indianen in het grensgebied tusschen Canada en Montana. H. Montgomery onderzocht de tunnels in Manitoba, welke menschelijke geraamten en allerlei voorwerpen bleken te bevatten. D. Patterson, W. R. Taylor en Ch. Mc. Gonigle beklommen in April 1910 den 6187 m. hoogen Mc. Kingley-berg, waarvan F. A. Cook beweerd had, dat hij hem reeds in September 1907 had bestegen. De pogingen om den top van den berg zelf te bereiken, zijn tot nu toe echter niet gelukt. Een expeditie onder C. E. Rusk besteeg in den zomer van

1910 den top, dien Cook als den hoogsten had aangewezen, maar welke 16 km. van den hoofdtop is verwijderd. De Mazama-expeditie van II. C. Parker moest halverwege terugkeeren. Parker meent de beweringen van Cook en Lloyd, dat zij den berg zouden hebben bestegen, te kunnen weerleggen, doordat de berg langs den weg, welken alle voorafgaande expedities hebben gevolgd, volstrekt onbestijgbaar is. L. Martin begaf zich voor gletscherstudies en om de merkteekens te hernieuwen, weder naar de Yakoetat Baai; A. H. Brooks sloot zich bij hen aan, met de bedoeling bij FairbanksenNome de opmetingenteherzien. H C. Parker, vergezeld van W. G. Clark en B. Brovme slaagde in liet bestijgen van den hoofdtop van de Olympic Range in den staat Washington. Ook in het Canadeesch gedeelte van het Rotsgebergte hadden een aantal met succes bekroonde bergbestijgingen plaats. De 4175 m. hooge Mount Robson, welke als de hoogste berg van Canada moet worden beschouwd, werd, na vergeefsche pogingen van A. P. Coleman in 1907 en 1908, in Augustus

Sluiten