Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1909 door G. Kinney en D. Phillip bestegen. In de Selkirk-keten gelukte het E. W. D. Holway, F. K. Butlers en H. Palmer de nog onbestegen toppen van den Mount Cyprian (3265 m.), Mount Augustine (3283 m.), en Mount Kilpatrick (3238 m.) te bereiken. Het hoogste punt van de keten, den 3546 m. hoogen en bijna geheel onbekenden Mount SirSandford, werd door H. Palmer en C. Parker in Juli 1909 beklommen. Het bleek, dat de berg een uitgebreid gletscherstelsel bezit. Een expeditie onder J. Macoun, in 1910 naar de W. kust van de Hudson Baai ondernomen om daar opmetingen te doen, mislukte, doordat de schoener „Jeanic", welke haar zou overbrengen, in de nabijheid van Wagner Inlet schipbreuk leed. De deelnemers aan de expeditie en de scheepsbemanning moesten te voet langs de kust tot aan Fort Churchül trekken, waar zij den l8len December aankwamen.

Ook in Labrador namen de onderzoekingsreizen toe. J H. Valiquette bezocht in 1908 het ertsrijke gebied van de Shining Montain in het Pletipi Lake in de provincie Quebec. Het gebied ten W. van het Matonipi Lake onderzochten R. Mac Farland, Th.

C. Brown en Ph. N. Sweet. Zij trokken in den zomer van 1910 langs de Chamouchouan River naar de Maistassini, met het voornemen om, vandaar O. waarts gaande, door te dringen tot aan de Kleine Mistassini en het Temid Camie Lake. E. Dulieux bestudeerde in 1908 de ijzer-, koper- en asbestmijnen op het merenplateau tusschen de Nottaway en de Rupert River, terwijl hij ook aan de houtteelt zijn aandacht wijdde. Een belangrijke reis, welke hem door grootendeels onbekend gebied voerde, ondernam H. Hesketh Prichard. Hij verliet in Juli 1910 het zendingsstation Nain met 2 Europeanen en een NewFo inlandschen schipper. De expeditie bezocht de monding van de Fraser River, welke zij opvoer, waarbij zij meervorinige verwijdingen ontdekte van 30 km. lengte en 3 km. breedte, waarvan de steile oevers 300 m. en hooger oprezen. Na de Fraser River te hebben verlaten, bereikte zij een groot, boomloos tot 646 m. hoog plateau, waarop een reeks kleine meren ligt. Den 19den Augustus bereikte zij het Indian House Lake, een groot, langwerpig meer, waardoor de George River stroomt. De terugweg naar Nain werd ten deele een weinig meer Z.lijk genomen.

D. B. Mac Millan vertrok in den zomer van 1910 van Davis Inlet. Hij bereikte de George River 240 km. boven haar monding, in de Ungava Baai. Onderweg zag hij drie nog onbekende meren, waarvan het grootste, het 40 km. lange Misternipi is, terwijl hij ook voeling kreeg met de Waskopi-Indianen. G. Corner, die 35 jaar in de Cumberland Sont en 10 winters op Soathampton-Eiland doorbracht, beëindigde in

1909 zijn in 1906 begonnen opmetingen. Bell-Eiland is, zooals reeds A. P. Low meende, slechts een schiereilandvormig uitsteeksel, het kleine Tom-Eiland in het Z. blijkt niet te bestaan, waartegenover hij in het \V. een nieuw eiland, White-Eiland, vond, dat van het hoofdland door een smalle straat is gescheiden. Het N. van het eiland wordt door een granietketen van 150—300 m. ingenomen. Knud Rasmussen ondernam ter bestndeering van de Eskimo-stammen in

1910 een tocht naar arktisch Amerika. Voor archaeologische onderzoekingen deed H. J. Smith, in opdracht van het Amerikaansch Museum voor Natuurwetenschappen te New-York, een reis naar de W. kust van Britsch Columbia en Alaska van de Alert

Baai op Vancouver tot aan de Chilkat. C. Lumholtz bezocht in 1909 — 1910 de Papagos-Indianen, een dapperen en intelligenten stam van 2500 zielen. Zij bewonen de weinig bekende grensstreken in het W. van Arizona en Sonora, waar de onvruchtbaarheid van den bodem de blanken afschrikt en aldus den Papagos hun vrijheid heeft doen behouden.

B. Z u i d-A m e r i k a. Grootere gedeelten van Z. Amerika bezochten G. Donnet, die in 1905 de resultaten van een reis door Brazilië, Argentinië en Chili publiceerde (,,De 1'Amazone au Paciflque par la Pampa et les Andes", Parijs, 1905) en Percy F. Martin, die Chili, Argentinië, Uruguay, Brazilië en Venezuela bezocht („Through five Republics of South America", Londen, 1905), terwijl Ch. M. Pepper het gebied tusschen Panama en Patagonië bereisde („Panama to Patagonia", Chicago, 1906). R. von und zu Eisenstein publiceerde in 1906 als resultaaat van zijn tochten zijn „Reise nach Panama, Peru, Chili, Argentinien, Paraguay, Uruguay und Brasilien." E. Galois ondernam voor het Genootschap voor Handelsaardrijkskunde te Parijs een tocht door Peru, Chili, Argentinië en Brazilië voor economische onderzoekingen („En Amérique du Sud", Parijs, 1906). A. Delebecque bezocht Ecuador, Peru en Brazilië („A travers 1'Amérique du Sud", Parijs, 1907), Cecilie von Rodt schilderde in „Aus Zentral- und Südamerika"(Bern, 1907) haar tocht door Peru, Bolivia, Chili, Argentinië en Brazilië, terwijl J. Wilda Peru, Chili, Uruguay, Argentinië en Brazilië bezocht. A. Hole („The South Americans-Story of the South American republics", Indianapolis, 1907) bestudeerde de bewoners van Venezuela, Brazilië, Uruguay en Argentinië. Gravin Charlotte von Matuschka bereisde Spaansch Z.Amerika, waarover zij „Nach dem spanischen Südamerika, Eindrücke und Erinnerungen" (Berlijn, 1908) in het licht gaf. H. Turot, van wiens hand „En Amérique latine"(Parijs, 1908) verscheen, bezocht vooral Brazilië en Argentinië. Ten slotte beeindigde Eduard von Wickenburg in 1910 zijn uitgebreide reizen door Z. Amerika, waarmede hij in 1907 was begonnen.

Alle overige reizen bepaalden zich tot kleine gebieden. In Venezuela nam A. John in 1901 het Meer van Valencia op. E. Cortero stelde een onderzoek in naar den bodemrijkdom in het N. O. van het land. De ornitholoog E. André beëindigde in 1901 een tocht langs de Caura, in het vorige jaar begonnen en waarop hij den 1800 m. hoogen Turagua beklom. S. Perez Triana bevoer de Orinoco in een kano, S. Passarge stelde einde 1901 en begin 1902, in opdracht van een Duitsch syndicaat, een onderzoek in naar mineralen op de bezitting El Caura van den voormaligen president Crespo. De N. Amerikaansche geschiedkundige H. Bingham bereisde in 1906—1907 Venezuela en O.lijk Columbia om de slagvelder. van de bevrijdingsoorlogen te aanschouwen, de kartograaf en geoloog J. A. Bendra deed in 1908—1909 een studiereis door het binnenland.

In Nederlandsch Guyana (Suriname) waren een aantal expedities werkzaam ter bestudeering van de onvoldoend bekende rivieren en haar brongebieden, waaromtrent het tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap uitvoerige verslagen met talrijke afbeeldingen bevat. De Nederlandsche Saramacca-expeditie onder G. C. Dubois, bezocht in 1901 het stroomgebied van de Saramacca, de Suriname en de Marowyne. In 1902 volgde de Coppename-expeditie

Sluiten