Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder majoor Bakhuis, terwijl in 1904 de Gonini- r expeditie, aan een zijrivier van de Lawa, en de Ta- c panahoni-expeditie werkzaam waren. De geologi- 1 sche resultaten van de expeditie van 1900 vatte H. t van Cappelle samen in zijn „Essai sur la constitution 1 géologique de la Guyane hollandaise, district occi- . dental"(Baarn, 1907), terwijl C. H. de Goeje in zijn „Bijdrage tot de ethnographie der Surinaamsche In- ( dianen" („Internationales Archiv für Ethnogra- ] phie", dl. 17, supplement", Leiden, 1906) en in zijn < ,,Beitrage zur Völkerkunde von Surinam"(ibid., dl. j 19,1908) de etlmografische verzamelingen, door deze ] vier expedities bijeengebracht, beschreef. Van de j hand van A. J. van Stockum verscheen nog „Een ] ontdekkingstocht in de binnenlanden van Surina- 1 me. Dagboek van de Saramacca-expeditie" (Amster- . dam, 1905). In 1907 werd onder luitenant De Goeje | een expeditie uitgezonden om de uitloopers van het < Toemak Hoemak-gebergte op te nemen. Zij was van plan haar terugweg langs den nog niet opgenomen bovenloop van de Suriname te nemen, om aldus aansluiting bij de Coppename- en de Saramaccaexpeditie te verkrijgen. Door ziekte van de leden der expeditie en onwil der boschnegers moest dit plan echter worden opgegeven. De resultaten van zijn reis vatte de Goeje in zijn „Verslag van de Toemaak Hoemak-expeditie" in het „Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap" 1908 samen. Nadat De Goeje in 1908 was teruggekeerd, vertrok in hetzelfde jaar een nieuwe expeditie onder den luitenant ter zee J. G. W. Eilerts de Haan tot het doen van opmetingen in Goddo aan de samenvloeiing van de beide bronrivieren der Suriname, de Gran Rio en de Pikien Rio. Op een excursie werd de Lu ci-rivier ontdekt. Een af deeling van de expeditie onder Eilerts de Haan bezocht den 450 m. hoogen Ananasberg, welke in 1908 door de Tapanahonieexpeditie was gezien, terwijl luitenant R. H. Wijmans en de geneesheer Tresling de opmeting aan de Pikien Rio ten einde brachten. In 1910 vertrok, weder onder Eilerts de Haan, vergezeld door den geneesheer Fr. Hulk en luitenant C. Kayser, een Nederlandsche expeditie naar Suriname, de zevende sedert 1900. Zij had de opdracht om na te gaan of de Lucie-rivier, in 1908 ontdekt, zooals werd vermoed, uitmondde in de Corantijn en verder om den W.lijken oever van deze laatste, welke de grens vormt met Britsch Guyana, nader op te nemen. Einde Augustus echter bezweek Eilerts de Haan aan de Gran Rio aan een aanval van malaria. Kayser moest, omdat de Boschnegers weigerden verder te trekken, naar Goddo terugkeeren en werd eerst door een hulp-expeditie van uit Paramaribo uit zijn benarde positie verlost. Hulk had intusschen groote voorraden levensmiddelen naar de Lucie-rivier laten brengen en ving den 1 lden October den tocht op deze rivier stroomafwaarts aan. Van de Coppename en de Wavambo keerden Cramer en De Roode den 12den November te Paramaribo terug.

In Britsch Guyana werd de grens met Venezuela door een scheidsgerecht geregeld. K. Bovallius vond aan de Braziliaansche grens in een zijrivier van den Jreng een waterval ter hoogte van den Niagara.

Voor Fransch Guyana (Cayenne) werd door een scheidsgerecht de Oyapoe als grensrivier gehandhaafd, waarmede de publicatie van een reusachtig kaartenmateriaal gepaard ging.

In Brazilië ondernam de weduwe van Coudreau,

a den dood van haar echtgenoot (1899) het verdere nderzoek naar de zijrivieren van de Amazone in aar benedenloop. Zij bevoer in de jareft 1900—1901 e Rio Curua, in 1901 de Rio Maycuru en in 1902— 903 de Rio Maycumi, terwijl R. Paycr in 1901 de auapery nader onderzocht M. Schmidt deed in 1900 -1901 een reis met ethnografische oogmerken naar lentraal-Brazilië (Mato Grosso). In de jaren 1901— 905 wijdde Th. Koch zich aan ethnologische studiën an de Rio Negro en in het gebied van de BovenLmazone, terwijl het Museu Paraense de Ilistoria atural y Etnografia, door E. Göldi in 1902 te Para esticht, zich vooral op geologische en biologische Lasporingen toelegde. Fr. Katzer belastte zich met et geologisch onderzoek van den staat Para, J. luber wijdde zich aan plantkundige onderzoekin;en, terwijl Göldi zelf de dierkunde en de volkenkunie in het gebied van de Beneden-Amazone voor zijn ekening nam. A. Duke deed, in opdracht van het iluseum, in December 1907 een reis langs de Mapuea stroomopwaarts. De plantkundige C. Ule werkte n 1904 aan de Rio Jurua. In 1908 begon een ontlekkingsreis naar het N.lijke Amazone-gebied, in iet bijzonder naar het grensgebied van Brazilië, Britsch Guyana en Venezuela. De voorzitster van iet Museum-Göldi, mejuffrouw E. Snethlage, tracht;e in 1908 de nog onbekende streken tusschen den rapajoz en den Xingu door te trekken. De invallenie regentijd belemmerde toen echter de volvoering i'an het plan. Daarom vertrok zij in 1909 reeds vroegtijdig van Para. Langs de Xingu en de Iriri en laar zijrivier, de Curua, bereikte zij de Maloca de Mansoelsinko. Vandaar slaagde zij er in om, over land, in 9 dagen, de boven Rio Jamanchim te bereiken, waarbij een graniet-keten van 4—500 m. hoogte moest worden overgetrokken. Fr. Iirause ondernam in 1908 een ethnologische ontdekkingsreis naar de Indianenstammen aan .de Araguaya, terwijl kapitein F. W. Whiffen in hetzelfde jaar van Manaos een reis naar den bovenloop van verschillende N.W. zijrivieren van de Amazone aanvaarde. Het Staatsmuseum te Sao Paulo, onder leiding van H. von Ihering, zond in 1909 vier expedities uit. E. Garbe bestudeerde de dierenwereld; zijn zoon, W. Garbe, bereisde het gebied van de Rio Doce. R. von Ihering deed merkwaardige vondsten in afzettingen bij Sao José do Rio Pieto en onderzocht de kalkholen in het gebergte van Yparanga. K. Unckel eindelijk bezocht de streek tusschen Sao José dos Campos Novos en Porto Tiburpa aan de Parana en bestudeerde de weinige nog overgebleven Chavantes-Indianen. In den staat Parana vond H. Brosz sporen van vroegere vergletschering. M. Schmidt vertrok naar de Cabixis-Indianen, terwijl Th. Koch in April 1911 een reis begon tot bestudeering van de Indianen aan de Rio Japura.

In Argentinië verrichtten de hoogleeraren van La Plata, Cordoba en Buenos Aires belangrijk werk bi] het onderzoek van het binnenland; ook de geologen R. Hauthal en P. Morrno moeten genoemd worden. Een zweedsche expeditie onder graaf Roscn bracht belangrijke ethnografische bijzonderheden uit den Gran Chacomede. Een Di.itsche expeditie onder W. Herrmann bezocht in 1906—1907 den middelloop van de Pilcomayo. Later bevoeren de gebroeders A. en A. Schmidt de Pilcomayo opnieuw, waarbij zij konden vaststellen, dat de Estero Patino een verbinding vormt tusschen den boven- en den benedenloop van deze rivier. In de N.lijke Cordilleras deed

Sluiten