Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormingen deed het in Europa veel van zich spre- f ken. In Juli 1911 trad lord Denman op als gouver- ■ neur-generaal van het Australische gemeenebest.

Azië. Ontdekkingsreizen. Evenals in de overige i werelddeelen vallen ook hier in de laatste tien jaren i belangrijke ontdekkingstochten te vermelden, waar- 1 door onze kennis van vele streken zeer vermeerderd : is geworden sedert het begin der 20s,e eeuw.

Siberië. Het Natuurhistorisch Museum te New- ; York zond in 1900, ondersteund door de hoogeschool te St. Petersburg, een ethnografische expeditie onder i Bogaras en Joshelson naar N.-O. Azië om de zeden, gebruiken, taal en anthropologische lichaamskenmerken van de inboorlingen tot aan de Beringstraat te bestudeeren. Men hoopt aldus de vraag naar de verwantschap tusschen de Indiaansche oervolken van Amerika en de Tsjoektsjen en Korjaken te kunnen oplossen. Zoekende naar sporen van Andrée, bereisde de Zweed J. Stadling de Beneden-Jana, het Taimyr-schiereiland en het gebied van de Jenissei. Een mislukte poolvaart van baron von Toll en luitenant Kolomeizew in 1900—1901 was aanleiding, dat de kustlijn van het W.lijk Taimyr-schiereiland en de Taimyr-baai nauwkeurig werden opgenomen. VonTollzelf kwam bij deze expeditie omhetleven.De beide Finnen A. K. Cajander en R. B. I'oppius bestudeerden in 1901 de plantengeografie van het Lenagebied. De dierkundige O. F. Görtz ondernam in den zomer van 1901 een expeditie naar de monding van de Beresowa, om er een aldaar gevonden mammoeth vandaan te halen. Zeven jaar later werd een tweede mammoeth aan de monding van de Jana gevonden; hier waren het Wolossowitsj en Pfizenmaier, die het dier onderzochten. De Amerikaan H. de Windt stelde in opdracht van de Russische regeering, in 1901 een onderzoek in naar de mogelijkheid van den aanleg van een spoorlijn tusschen Irkoetsk en Jakoetsk. Th. K. Drishenko kwam in 1902 gereed met zijn sedert 1897 voortgezette opname van het Baikalmeer. R Toelsjinski, die in verband met een concessie-aanvraag van een Amerikaansche maatschappij voor een spoorweg naar de Bering-straat, in 1905 op het Tsjoektsjen-schiereiland onderzoekingen deed, vond daar grafiet-, ijzer-, lood- en zilverlagen. De Chantaga-expeditie, onder leiding van Tolmatsjew, onderzocht het stroomgebied van de Chantaga en van haar zijrivieren en nam het Jessei-meer op, dat 2° Z.lijker bleek te liggen dan vermoed werd. De terugweg had in het midden van 1905 langs de Anabara plaats; een ander gedeelte van de expeditie trok onder leiding van den sterrenkundige Backlund, door de toendra naar Doedino aan de Jenissei. W. A. Obroetsjew publiceerde in 1904 de resultaten van zijn onderzoeknaarden bouw van Trans-Baikalië. De oppervlakte van het land blijkt in de eerste plaats door N.O.—Z.W. gerichte verschuivingen, disjunktieve dislocaties, te worden bepaald. Ook het Baikal-meer moet als de vrucht van zulke dislocatie-processen worden beschouwd. In opdracht van de Russische regeering ondernam S. A. Boetoerlin in 1905 een expeditie naar het dal van de Kolyma, om er de maatschappelijke toestanden te bestudeeren. W. N. Toechow publiceerde in 1906 de resultaten van zijn 10-jarig onderzoek in Kamtsjatka omtrent den toestand der bevolking en hare nederzettingen. In den zomer van 1906 werd de mijningenieur Toellsjinski belast met een expeditie naar Sachalin, om de N.lijke helft topografisch op te nemen en een (jnderzoek in

te stellen naar den rijkdom van den bodem. Hij vond er rijke steenkoolbeddingen, alsook naphta. W. A. Anoetsjin keerde in 1907 te St. Petersburg terug van een in Mei 1905 begonnen tocht naar de Jenessei-Ostjaken. Zij zijn een Nomadenvolk, dat aan het uitsterven is. De ingenieur Koedraviev nam in 1907 de route van Nelkan aan de Maja naar Port Ajan aan de Zee van Ochotsk op in verband met den aanleg van een weg. In 1909 zond de Keizerlijke Russische Academie van Wetenschappen een expeditie uit onder V. A. Wolossowitsj en J. P. Talmatsjew ter bestudeering van de O.lijke gedeelten van de N.kust, van de Lena tot aan de Bering-straat. Kapitein Ssedow was reeds in Maart van Irkoetsk vertrokken om een onderzoek in te stellen naar de monding en naar de bevaarbaarheid voor handelsschepen van de Kolyma. Hij, N. A. Judin en J. F. Skrorzow van de W.lijke afdeeling onder Wolossowitsj keerden reeds eind 1909 terug, nadat zij de kust tusschen de Lena en de Kolyma hadden opgenomen en gevonden, dat zij veel bochtiger is, dan op de kaarten wordt aangegeven. De O.lijke afdeeling onder Tolmatsjew bereikte eerst in het voorjaar van 1910 weder Irkoetsk. Ook zij vond de kustlijn anders dan zij op de kaarten is geteekend. Vastgesteld werd, dat goederenvervoer te water over het traject KolymaBering-straat mogelijk is. In Mei 1909 vertrok van St. Petersburg een particuliere expeditie van de gebroeders Koeznezow naar den arctischen Oeral, waaraan de topograaf N. A. Grigorjew, de geoloog H. Backlund, de plantkundige N. W. Ssoekawetsj, de dierkundigen D. J. Wardropper en F. A. Saizew en de ethnograaf D. T. Janowitsj deelnamen. Zij stelde o. a. vast, dat alle Oeral-passen in het ijstijdperk met ijs bedekt zijn geweest.

De dierkundige B. W. Shitkow onderzocht, in opdracht van het Russisch Aardrijkskundig Genootschap, het schiereiland Jalmal. Het bestaat uit schralen zandgrond; de rivierdalen hebben een weelderige moerasflora, terwijl het Z. met kreupelhout en oerwoud is bedekt. De bevolking bestaat uit ongeveer 2000 Samojeden. De ethnograaf K. M. Rytsjkow bestudeerde de volksstammen in het N. van het gouvernement Jenisseisk. Een particuliere expeditie van F. P. Rjaboesjinkski onderzocht in 1908 de minder bekende gedeelten van Kamtsjatka. G. J. Schmidt, de leider van de dierkundige afdeeling, nam de Kamtsjatka-rivier en het Nerpitsje-meer op. De geoloog Krug ging de kust ten Z. van Petropalowsk na, terwijl Conradi N.waarts de kust tot aan de Baron Korff-baai volgde. W. L. Komwone, de plantkundige van de expeditie, onderzocht het Z. van het schiereiland, waarin nog vele werkende vulkanen werden aangetroffen, de ethnoloog W. J. Jochelson kon verwantschap aantoonen tusschen de bewoners der Alëoeten en de Eskimo's. Hij besloot om den winter van 1909—1910 op het eiland Oemnak door te brengen, terwijl de overige deelnemers aan de expeditie in 1909 terugkeerden.

A. G. Kramarenko bestudeerde in 1909 de visscherij van Kamtsjatka; de mijningenieur E. A. Anert en de topograaf Kusson namen de N.kust van Sachalin op. Het geologisch onderzoek bracht aan • het licht, dat het binnenland door een hoogvlakte i met twee randgebergten en niet door een meridionai len bergrug wordt ingenomen. Tichinow en Polewoj i stelden in April 1910, resp. in het O. en W. van het i eiland, een onderzoek in naar goudaderen in het

Sluiten