Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kristallijne leigesteente. In het binnenland van Azië ondernam Sjtsjoekin een tocht in het Sajanisch gebergte, waarop hij de bronnen van de Irkoet, de Kitoi, den Onot en den Oerik bereikte. N.Saroedny was in de Alatau- en Karatau-gebergten en in de woestijn Kisilkoem werkzaam. N. W. Poggenpohl bezocht het brongebied van de Moeksoe in W. Pamir, W. S. Worotnïkow het gebied aan den Z. oever van het Balkasj-meer. Een expeditie onder N. L. Gondatti stelde in de Amoer-provincie een onderzoek in naar de geschiktheid van het land voor het landbouwbedrijf. W. N. Ledébew deed diepte- en temperatuurbepalingen in de meren aan de O.zijde van den Midden-Oeral. De omvang van deze meren neemt sterk af.

Toeran en Centraal-Azië. L. Bery bezocht in 1901 het Aral-meer en stelde vast, dat de waterspiegel sedert 1880 stijgt. In de kaart van het meer kwamen belangrijke wijzigingen. In 1903 constateerde hij eveneens een stijging van het peil van het Balkasjmeer. Bery bestrijdt dan ook de theorie van Kropotkine over het uitdrogen van Eurazië. O. J. Tanfiljew bezocht in 1902 de Baraba- en de Koeloenda-steppe. N. P. Poesyrewsky onderzocht de Sir Darja van haar monding in het Aral-meer tot het snijpunt met den spoorweg naar Tasjkent. In de zomermaanden van 1903—1905 deed A. Iwtsjenko reizen door de Kirgiezensteppen en door de steppen van Turkestan ter bestudeering van het klimaat, den plantengroei en de factoren van de woestijnvorming en van de daardoor optredende geologische veranderingen. W. A. Doébjanski reisde in 1904 van Orenburg naar den N.lijken oever van het Aral-meer, vandaar W.waarts naar de Kaspische Zee en ten slotte langs de Emba naar den spoorweg Orenburg—Tasjkent. B. von Fedtsjenko vertoefde in 1900 drie maanden op het Pamir-hoogland; aan de in 1897 geplaatste merken op gletschers van den Talaskischen Alata kon hij een voortschrijdende beweging aantoonen. G. von Almasy en von Stumme-Traunfels deden in 1900 een reis in den Centralen-Tiënsjan voor dierkundige onderzoekingen. Hetzelfde terrein, alsmede den Dsoengarijschen Alatau bezochten in 1902 W. W. Saposjnikow en M. Friederichsen.

Van de overige reizen in den Tiënsjan noemen wij die van G. Merzbacher, die in 1902—1903 het reusachtige Khan-Tengri-massief onderzocht. In 1907— 1908 bezocht hij dit gebied opnieuw. St. Yves reisde in 1901 in den Alai en Trans-Alai, terwijl W. F. Nowizky in 1903 over den Alai en door het Kysylsoe-dal naar de Peter de Groote-keten trok. C. Levat onderzocht in 1902 de goudhoudende conglomeraten in Darwas, P. G. Ignatow deed 2500 peilingen in het Teletzky-meer, waarvan hij de grootste diepte op 311 m. bepaalde. P. K. Koslow beëindigde in 1901 een, in 1899 in opdracht van het Keizerlijk Russisch Aardrijkskundig Genootschap ondernomen tocht naar het Chineesch Altai-gebergte en naar de O. Tibetaansche hoogvlakte. In 1907 werd hij belast met een expeditie naar de Nansjan-keten, het KoekoeNor en Sz'tsjwan. J. P. Tolmatsjew onderzocht in 1902 den Koesnezkischen Alatau, waar hij oude gletscher-krassen kon aantoonen. De Amerikaan F. H. Nichols begon in 1903£een tocht van uit China naar Lhasa. Door de Tibetanen gedwongen terug te keeren, trok hij over Bhams naar Britsch-Indië en vandaar over Dardsjiling naar Tibet. Hij kwam tot Gyangtse, waar hij overleed. A. Lecoy en Bartus on¬

derzochten, in opdracht van het Berlijnsche Museum voor Volkenkunde, de omstreken van Toerfan. Met Grünwald trokken zij in 1905 naar Koetsja in O. Turkestan tot het doen van opgravingen. Een Fransche expeditie onder P. Pelliot, bijgestaan door Vaillant en Ch. Nouette, stelde in 1906—1909 in de Boeddhistische kloosters een onderzoek in naar oude handschriften. A. Stein vertrok in den zomer van 1906 naar Kasjgar; in de woestijn ten O. van Chotan bij Rawak en Hangoeya, alsmede in de oase Domoko deed hij opgravingen, waarbij geschreven rollen in het Chineesch, Sanskriet en in de oude Chotan-taal werden gevonden. Middelerwijl voerde Ram Singh een driehoeksmeting van het Sneeuwgebergte aan de bronnen van de Kerija- en de Nija-rivier uit. Daarna verlegde Stein zijn opgravingen O.lijk van Kerija, doorkruiste het gebied van het Lob-Nor en trok langs den ou den karavaanweg naar de oase Satsjou. In December 1907 ondernam hij een nieuwen tocht van uit Toerfan Karashahr, waarna opgravingen bij Ming-oi, in de woestijn tusschen Domoko en Chotan en ten slotte bij den heuvel van Maraz-tagh werden verricht. Eerst in October 1908 keerde hij te Leh terug. In Februari 1906 begon E. Zugmayer een reis naar Centraal-Azië met de bedoeling om dwars door Tibet van Chineesch Turkestan naar Britsch-Indië te trekken. Hij betrad het Tibetaansch hoogland bij het meer Sagus-koel en bereikte in October weder Leh; de tocht dwars door Tibet kon hij intusschen door tal van terrein-moeilijkheden niet volbrengen. A. Obroetsjew deed in den zomer van 1905 en van 1906 twee reizen in het gebied van den Tarbagatai en van Chineesch Dsoengarije. 1 Januari 1906 vertrok Sven Hedin voor een nieuwe expeditie van Teheran. Dwars door de zoutwoestijn Dasjt-i-Kavir bereikte hij Seistan, vanwaar hij naar Quetta trok. Van Leh O.waarts gaande, bereikte hij Szigatse, ging van hier W.waarts en kwam aldus aan het Mansarowar-meer. Hij slaagde er op zijn tocht o. a. in om de waterscheiding tusschen de Brahmapoetra en het binnenland van Tibet vast te stellen. Einde December 1907 verliet hij nogmaals Leh, trok, om de Tibetanen te misleiden, N.lijk en daarna weder O.waarts naar Tibet terug. Dwars door de nog geheel onbekende provincie Bongba en over het door hem ontdekte ketengebergte ten N. van de Brahmapoetra, dat hij Anti-Himalaya noemde, kwam hij weder op zijn oude route van 1907. In 1908 keerde hij over Japan naar Stockholm terug. A. Tafel, die in 1903—1905 reeds aan de expeditie van Fihhner in China had deelgenomen, voer in 1905 de Han op, reisde over land naar de N.lijke bocht van de Hoangho, waarvan hij den bovenloop in 1905 opnam,'trok dwars door de Ordosteppe en begon van af Lantsjoefoe den tocht naar Tibet. Hij bereikte het KoekoeNor, maar werd op weg naar de Dangla-keten van bijna alle lastdieren beroofd, zoodat hij te voet naar Hsiningfoe moest terugtrekken. Ook een tweedq tocht, in Januari 1907, waarop hij reeds Dsjekoendo in het hartje van Tibet had bereikt, werd door den tegenstand der Tibetanen verijdeld.

De beide Engelsche officieren Bruce en Layard vertrokken, door een Indischen topograaf vergezeld, in Augustus 1905 van Leh. Langs de Tarim-woestijn en over Tsjertsjen kwamen zij aan het Lob-Nor, vanwaar zij hun reis over Soetsjeoe naar Peking vervolgden. Fiizgerald en Fraser keerden, vergezeld door den Indischen topograaf Sayod Mir, terug, uit

Sluiten