Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brachte merken hadden plaats gevonden. Mevrouw I Bullock—Worlcman beklom den 6500 m. hoogen ! Biafo-Piek. Daarna werd, na het passeeren van den Hispar-pas (5600 m.), de Biafo-gletscher, welke een lengte van 50 km. heeft, in de richting van Baltistan gevolgd. Alois Kraus bereisde in 1907—1908 VoorIndië en Ceylon voor economische doeleinden. T. G. Lmgstaff begon in 1909 een reis door den N.W.lijken Himalaja. Hij trok over den 5500 m. hoogen Saltoropas, vóór hem door geen Europeaan betreden, en zag voor zich een reusachtigen gletsclier ter lengte van 70 km., welke de keten van den Karakoroem naar het Z. doorbreekt en zijn smeltwater naar de Noebra zendt. Het bleek de Saitsjar-gletscher te zijn, waarvan men tot nog toe aannam, dat hij zijn smeltwater N.waarts stuwde, terwijl men ook zijn lengte geringer had geschat. Wanneer men van de poolstreken afziet, is hij de grootste gletscher ter wereld.

Iran. De Earl of Ronaldshay deed een reis van uit Quetta over den pasgeopenden Noesjki-weg en beschreef de woestijn van Beloetsjistan. A. Hamilion publiceerde een handboek over Afghanistan, dat voor het N. op eigen waarnemingen steunt. Majoor P. M. Sykes deed, na een verblijf van 8 jaar in Z. en O. Perzië, daarover in 1902 verschillende mededeelingen. A. H. Savage Landor ging van Enzeli over Teheran, Ispahan en Jesd naar Kirman, trok dwars door de woestijn Loet, naar Birdjand en reisde vandaar over Seistan naar Noesjki. Zaroedny bereisde, in opdracht van het Keizerlijk Russisch Aardrijkskundig Genootschap in 1900—1901 O.-Perzië. Van Asjabad ging hij over Mesjed naar Seistan en van hier naar Tsjahbar aan de Golf van Oman, vanwaar hij over Geh en Bampoer naar Seistan terugkeerde. Th. Sirausz deed in 1903 een reis langs de N.grens van Loeristan, H. Herzfeld ondernam in den herfst van 1905, na een tweejarig verblijf in Mesopotamië, van Bagdad een tocht door Loeristan, Arabistan en Fars naar Sjiras voor archaeologische studiën. A. F. Stahl ging in 1904 van Resjt over Teheran naar Ispahan, Hamadan, Tebris en Astara. In het voorjaar van 1906 reisde hij van Bakoe over Tebris, Hamadan en Kaswin naar Teheran en over Barfoeroesj en Resjt terug. Sven Hedin nam voor zijn derde, groote reis Perzië als uitgangspunt (zie boven). O. Mann keerde in 1907 terug van een verblijf in Koerdistan, dat hij ethnografisch-taalkundig had bestudeerd. Majoor Sykes, toenmaals Engelsch consul-generaal te Mesjed, ging in 1908 van daar, trok dwars door de provincie Chorasan tot aan de Atrek en keerde over Astarabad weder terug. Hij meent de plaats van het Alexandrijnsche Parthia gevonden te hebben. In November 1909 bezocht hij de ruïnes van Nisjapoer en Toersjis. Th. Strausz bereisde in 1910 een gedeelte van W. Perzië. Van Sultanabad ging het over Hamadan naar Sinna, vanwaar hij over Kirmansjah terugkeerde. Het Aardrijkskundig Genootschap te Kopenhagen zond, te zamen met een comité onder admiraal Richelieu, in 1910 een expeditie naar de landen om de Perzische Golf. G. Bondoux, uitgezonden door de Délégation fran^aise en Perse, stelde in N. Perzië een archaeologisch onderzoek in, terwijl zijn reisgenoot, luitenant Pézard, topografische waarnemingen deed. E. Zvgmayer ondernam in 1911 een tocht door Beloetsjistan. Van Karatsji zou hij langs de Mekrankust naar Gwadar gaan, den zomer in het binnenland doorbrengen en over Kelat en Quetta terugkeeren.

Voor-Azi«. R. Fitzner publiceerde in 1904 de resultaten van een reis door Klein-Azië en Syrië, voornamelijk uit commercieel oogpunt bezien. P. Rohrbach trok dwars door Armenië van den Kaukasus tot de Middellandsche Zee. Geologische studiën voerden A. Philippsonm den zomer van 1901 naar W.lijk Klein-Azië; in opdracht van de Wentzel-HeckmannStichting van de Berlijnsche Academie zette hij haar in 1902 voort. Graaf E. von Zichy bezocht voor ethnografisch-taalkundige studiën den Kaukasus,terwijl ethnografische onderzoekingen A. List naar de Georgiërs voerden. K. Bogdanowitsj bezocht den hoofdketen van den Kaukasus. E. Huntington van de Harvard University onderzocht den Boven-Eufraat, terwijl A. Janke in 1902 een reis naar Klein-Azië ondernam, voornamelijk voor topografische opnamen van het slagveld van Issus. M. von Déchy beëindigde in 1902 zijn onderzoekingsreizen in den Kaukasus. In opdracht van het bestuur van den Keizerlijken Plantentuin teSt. Petersburg steldeN. A.Buscheen onderzoek inChewsurië enTusjetië in. A.vonMeckenA.Fischer beklommen in 1904 een aantal toppen in het bovenstroomgebied van de Teberda, terwijlzijtevensde hoogte ervan bepaalden en ze topografisch opnamen. F. Oswald publiceerde in 1906 de resultaten van een reis, door hem met H. F. B. Lynch in Armenië gedaan en waarover deze reeds in 1901 mededeelingen in het lichthad gegeven. Op een studiereis methoofdzakelijk aardrijks- en handelsaardrijkskundige doeleinden, onderzocht H. Grothe de centrale en Z.lijke keten van den Anti-Taurus. Nadat hij 5 meteorologische stations had ingericht, vertrok hij van Oerfa naar Bagdad. T. Wilski publiceerde in 1906 een kaart met tekst van het Milezisch schiereiland, als vrucht van de opgravingen, door Th. Wigand te Milete verricht. Penther en Zederbauer hadden in 1902 een reis door den Erdsjias Dagh gedaan voor planten dierkundige studiën; hun resultaten publiceerden zij in 1905. O. Benndorj begon met opgravingen te Ephesus, terwijl A. Grund in opdracht van de Weener Academie het mondingsgebied van den Kleinen Meander bij Ephesus onderzocht. De landaanwas van 8 km. schrijft hij toe aan vulling van lagunen en niet aan delta-vorming. E. Zugmayer trok over Batoem, Tiflis, Eriwan en het Göktsja-Meer naar het Oermia-Meer en den Ararat en vandaar naar Tiflis terug. Tevens bezocht hij Khiwa en Boekhara. De Deensche archaeoloog Blinckenberg ondernam met Kinch, Koch en Bagger onderzoekingen aan de O.kust van Rhodus. H. Hilderscheid onderzocht de neerslagverhoudingen in Palestina; hij kwam tot de slotsom, dat zij sedert den Bijbelschen tijd niet zijn veranderd. A. Forder bereisde N.-Arabië en bezocht de oase Djoef, A. Musil voltooide in 1902 zijn in 1896 begonnen archaeologische studiën ten Z. en O. van de Doode Zee. W. Hein bereisde in 1902 Z. Arabië voor ethnografische en linguïstische studiën. In Jemen was H. Burchardt werkzaam; hij vertrok in 1903 van Hodeïda naar Sana en Amran en bezocht in 1903 —1904 het gedeelte van O.-Arabië tusschen Basra en Maskate.

H. W. Cadoux bestudeerde de veranderingen in het rivierbed van den Eufraat. In Juli 1903 brak de dam in het Hindijekanaal door; de Eufraat verliet zijn bedding en volgde het kanaal. Alleen in tijden van hoogen waterstand komt nog een weinig water tot Hilleh, dat met den gewijzigden toestand sterk is achteruitgegaan. Koldewey legde in Babyion den

Sluiten