Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grooten Muur tusschen den N. en Z. Burcht bloot, Andrae ontgroef in Assoer een paleis van ToekoeltiNibid I. De Zweed Rosendahl deed een archaeologische reis in het gebied tusschen de Roode Zee en den Eufraat. O. Pilgrim, die in 1904—1905 de oeverlanden van de Perzische Golf bestudeerde, kwam tot de gewichtige gevolgtrekking, dat in het begin van den Krijttijd de carbonische tot triadische gesteenten in Oman na heftige lava-uitbarstingen geplooid werden. In 1908 ondernam M. Blankenhorn, vergezeld door den plantkundige Aaronsohn en den dierkundige Ahasoni, een vierde ontdekkingsreis naar Palestina, in het bijzonder naar het gebied van de Doode Zee, het Jordaandal en dat van de Wadi el Araba. Er werden sporen van Neolithische holenbewoners, van steenen werktuigen en een fries van graffiti gevonden. E. Huntington bestudeerde op een tocht van 4 maanden de Doode Zee, de Syrische Woestijn en Hauran. Ook de streken van Klein-Azië zonder afwatering, evenals het Wan- en het Oermia-meer betrok hij in zijn hoofdzakelijk klimatologisch onderzoek.

De Engelschman D. Carruther vertrok in 1909 naar Teboek met het plan om door te dringen tot Haïl. Omdat de gouverneur hem wegens de vijandige gezindheid van de Bedoeïnen de toestemming daartoe weigerde, ging hij van Jesi, O.lijk van de Doode Zee, Z.waarts tot aan den stam der Beni Sakhr-Bedoeïnen en over de oase van Hausa naar Teima. Daar hem echter ook hier werd geweigerd om naar Haïl verder te trekken, begaf hij zich naar Dsjauf aan den rand van de steppenachtige woestijn Nefoed. Vanhier wendde hij zich W.waarts naar den Mekka-spoorweg, waarbij hij onderweg de sporen vond van een ouden handelsweg van Egypte over Basra naar N. Arabië. Alois Musil bereisde in 1908 —1909 N.lijk Arabië; hij trok door de steppen tot aan de Nefoed-woestijn, waarbij hij overblijfselen van talrijke Grieksche en Romeinsche nederzettingen aantrof. In den zomer van 1910 bestudeerde hij, in opdracht van de Turksche regeering, den Hedsjasspoorweg met het oog op den watervoorraad van het terrein. De dierkundige V. Pietsjman en de plantkundige von Handel-Manzetti stelden in 1910 in Armenië en N.-Syrië een onderzoek in naar de fauna en flora, nadat E. Banse hier reeds in 1908 was werkzaam geweest. Max von Oppenheim ontdekte aan den Chaboer in Mesopotamië den ruïnenheuvel Teil Halaf ; er bevonden zich o. a. overblijfselen van een Hettietisch palies in. In Hoog-Armenië vond R. Schmidt in 1909, dat de meren sedert eenige jaren stijgen. E. Herzfeld deed in het voorjaar van 1907 een reis' door Cilicië, waarop hij de ontgraven kerken van Corycos en Meriamlik bezocht. K. Keiler bestudeerde de uitgestorven dierenwereld van Kreta, op grond waarvanhij een verbinding aanneemt van Klein-Azië met

Kreta, welke in het diluviale tijdvak nog moet hebben bestaan. H. Winkkler ondernam in 1905—-1907 opgravingen in de ruïnen van Boghaz-Köj en van Oeëpuk, O.lijk van den Halys (Klein-Azië); in de ruinen van Boghaz-Köj meent hij de hoofdstad van het oude rijk der Hettieten te hebben gevonden. A. T. Wilson trok in 1907 van Bender Abbas over Lar en Djahroem naar Sjiras en onderzocht ook het in de nabijheid van dit laatste gelegen meer Daria-i-Mahaloe. J. N. Woronow bepaalde de hoogte van het Kartsj tal-massief op bijna 3660 m. Kapitein Anginieur bereisde in 1908—1909 Perzië en Mesopotamië met het oog op het watervraagstuk. A. Musil vertoefde ook in 1910 weder in Arabië om een terrein voor een lazaret in N.lijk Hedsjas te zoeken. Op zijn excursies meent hij de plaats van den Bijbelschen Sinaï gevonden te hebben. De paters Janssen en Savignac deden nasporingen in de Voor-Islamitische ruïnen van El Ma en Hereibch. Uit ontcijferde inschriften leidden zij af, dat El Alla hetzelfde is als het Bijbelsche Dedan.

In 1910 hadden talrijke bestijgingen van toppen in den Kaukasus plaats. Doebjanski en Issajew beklommen den Elbroes, evenals Hug en Rhamm, E. Vandewart en E. Schmalbruch den Kasbek. De Russische geoloog A. Gerassimow hield zich bezig met waarnemingen van de N.lijke helling van den Elbroes, terwijl de dierkundige Filatow in het gebied van den Boven-Koeban een onderzoek instelde naar de verspreiding en de levensvoorwaarden van den Kaukasischen oeros. In den herfst van 1910 bereisde W. A. Rasemg, in opdracht van het Keizerlijk Russisch Aardrijkskundig Genootschap, de steppengebieden van de Beneden-Koera in Z.O. Trans-Kaukazië en de daarvoor gelegen kust van de Kaspische Zee, P. Volarowitsj deed topografische en geologische waarnemingen in de petroleumvelden op het Apsjeronschiereiland. M. von Oppenheim ondernam in 1911 een tocht om zijn opgravingen op den Teil Halaf aan den Chaboer in Centraal-Mesopotamië te voltooien. De duur van deze expeditie, welke ook het gebied tusschen Aleppo en Biredsjik in het W., Nesebin in het O., de woestijnsteppen in O. Mesopotamië en de Syrisch-Arabische woestijn zal bezoeken, wordt op 2—3 jaar geraamd. Het Berlijnsche Keizer-FrederikMuseum Het in 1911 opgravingen in Samarra aan den Tigris uitvoeren, op de plaats, waar eenmaal de residentie van de koningen der Abessieden had gestaan. Onder leiding van den Franschman M. H. Violet hadden reeds, 5 km.W.lijk daarvan, te Dar-elKhalife in Mesopotamië, opgravingen plaats. A. Brühl van het Instituut voor Zeekunde te Berlijn ondernam in den herfst van 1911 een reis naar de Doode Zee tot het doen van hydrografische waarnemingen.

Sluiten