Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunde Estrada en bovendien beging Zelaya de staatkundige fout om twee Amerikaansche burgers, die de revolutie hadden begunstigd, te laten doodschieten. Van af dat oogenblik werd Estrada als oorlogvoerende partij door de Unie erkend en rijkelijk gesteund, werden de diplomatieke betrekkingen afgebroken, terwijl in November 1909 een aantal Amerikaansche kruisers in de wateren van Nicaragua verscheen. Zelaya zag zich genoopt af te treden. Hij werd opgevolgd door José Madriz, rechter bij het scheidsgerecht te Cartago. Toen ook deze verandering in de houding van de Vereenigde Staten van N.Amerika geen wijziging vermocht te brengen, bemoeide Mexico zich met de zaak. Het zond den gezant Enrique Creel naar Washington en spoedig daarop een oorlogsschip naar Nicaragua om den afgetreden president in veiligheid te brengen. Creel slaagde er in om te bewerken, dat verdere hulp aan Estrada, die bij Rama reeds een overwinning had behaald, achterwege bleef, dat de landingstroepen niet ontscheept werden en Zelaya het land ongehinderd kon verlaten. In Maart 1910 vertrok de Amerikaansche vloot van Corinto naar Panama, om echter later weder daar Bluefields terug te keeren, waar zij de revolutionnairen zoo openlijk ondersteunde, dat president Madriz zich genoopt zag, de tusschenkomst van de staten, welke hem erkend hadden, in te roepen. Mexico bood daarop in een flink gestelde nota terstond zijn diensten te Washington aan. Intusschen bevredigde het verder verloop der revolutie de wenschenvan deVereenigde Staten van N.-Amerika. In Juli 1910 moest Madriz wijken voor Estrada, wiens broeder José Estrada, optrad als president, om kort daarop zijn broeder, Juan Estrada, als voorloopig president te erkennen. Diens eerste regeeringsdaad bestond in het gevangen zetten van alle leden der regeering. Zijn dankbaarheid jegens de Vereenigde Staten van N.-Amerika betoonde hij, door in Februaril911, op advies van den staatssecretaris Knox, den N.-Amerikaan Ernest H. Wands tot finantiëel raadsman der regeering te benoemen. Geheel vast scheen Estrada echter niet in den regeeringszadel te zitten. Een bomaanslag, den 13d<" Februari 1911 vlak bij het paleis van den president te Managua gepleegd, gaf het sein tot verbanning van een groot aantal zijner tegenstanders. In Mei deed hij, vermoedelijk niet zonder dwang, plotseling afstand van zijn ambt ten gunste van den vice-president Diaz. Terwijl een bomaanslag, die kort daarna, den 318ten Mei, de vesting La Loma vernielde, aan vele van zijn aanhangers hun vrijheid kostte.

Ook in Guatemala schijnt de invloed van N.-Amerika toe te nemen. President Crabrera besloot althans in het begin van Maart 1911 een leening niet, zooals oorspronkelijk gedacht werd, in Europa, maar in N.Amerika te plaatsen. Evenzeer zijn de financiën van Costa Rica en Honduras onder Amerikaansche contróle gekomen. Het eerste trof in Februari 1911 een overeenkomst met den Amerikaanschen financier Minor C. Keith over zijn buitenlandsche schuld van 10 millioen dollar. En Honduras werd voor N.-Amerikaansche invloeden toegankelijk gemaakt door de revolutie, welke in December 1910 de vroegere president Bonilla tegen den regeerenden Davilla had op touw gezet. Bonilla werd ondersteund door den N.Amerikaan Lee Christmas en won snel veld. De Vereenigde Staten van N.-Amerika boden hun bemiddeling aan; den 88ten Februari 1911 werd een wapen¬

stilstand gesloten en enkele dagen daarna de overeenkomst met N.-Amerikaansche financiers, die 2 weken vooraf nog was geweigerd. In het begin van Maart waren de vredesonderhandelingen geëindigd. Als voorloopig president werd de partijganger van Bonilla, Francisco Beltran, aangewezen.

Chantage. Zie ook Dreigen.

Chauson-Kaas,.4aW/ van, lees: Clauson-Kaas.

Chili heeft onder president Montt dezelfde bewogen binnenlandsche staatkunde gekend als vóór diens optreden. Gedurende zijn bewind tot einde 1910 traden achtereenvolgens niet minder dan 9 ministeries op. Omvangrijke werkstakingen in den winter 1907—1908, vooral te Atacama en te Iquique, maakten den binnenlandschen toestand nog moeilijker. In 1909 moest de regeering, om het evenwicht in de staathuishouding te bewaren, voorstellen om een groot gedeelte der staatssalpetermijnen te verkoopen. Toch besloot de Kamer op het einde van dat jaar om de regeering een uitbreiding van het nieuw ingediende vlootprogramma in overweging te geven. In de buitenlandsche staatkunde staat het jarenlange geschil met Peru op den voorgrond. De kwestie over het gebied van Tacna en Arica moest in 1908 eindelijk worden opgelost. Chili deed, omdat zijn salpeterindustrie zich daar belangrijk had uitgebreid, het voorstel, dat echter in strijd was met het verdrag van 1883, om aan Peru een schadeloosstelling van 20 millioen soles te betalen, den spoorweg Arica —Tacna door te trekken tot aan Arequipa en verklaarde zich verder bereid om een handelsverdrag aan te gaan. Peru wees dit voorstel af, evenals een tweede, om het gebied in de verhouding 3 : 2 te verdeelen. Ten slotte legden beide partijen zich bij een scheidsrechterlijke uitspraak van den koning van Spanje neer. De gebeurtenissen van Melilla (zie Spanje) vertraagden deze echter en Chili zag zich ten slotte in Februari 1910 genoopt om de Peruaansche geestelijken, welke er tegen kuipten, uit het land te zetten. Onmiddellijk daarop verbrak Peru de diplomatieke betrekkingen. De tusschenkomst van de Vereenigde Staten van N.-Amerika werd niet aanvaard, vooral niet na hun optreden in Nicaragua, waarover de Z.-Amerikaansche staten zeer waren ontstemd. Een mijnconcessie van de N.-Amerikaansche firma Allsopp op het gebied, waarover het geschil liep, leidde tegen het einde van 1909 zelfs tot een ultimatum van de Vereenigde Staten van N.Amerika; het moest echter na het besliste verzet van Brazilië worden ingetrokken. De aangelegenheid werd daarna aan de scheidsrechterlijke uitspraak van den koning van Engeland onderworpen.

Chili vierde als tweede Z.-Amerikaansche staat in 1910 zijn onafhankelijkheidsjubilieum. Het werd alleen gestoord door den plotselingen dood van president Montt, den lfiden Augustus 1910 op reis naar Nauheim te Bremen overleden. Zijn plaatsvervanger, de vice-president Fernandez Albarta, overleed reeds den 6den September 1910, waarop het presidentschap tijdelijk door den minister van Justitie en Onderwijs, Emiliano Figueroa, werd waargenomen. Het nationale Congres benoemde den 21sten December 1910 den doctrinair-liberalen Barros Luco voor de volgende 5 jaar tot president.

Met Peru duurden de moeilijkheden voort. Voor een aanval op het Peruaansch consulaat te Iquique heeft Chili genoegdoening gegeven. Intusschen wekte de houding van den Peruaanschen bisschop, die

Sluiten