Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Chileenschen veldprediker het gebruik van de kerken in Facna en Arica ontzegde, weder gevoeligheden. Ten slotte namen de moeilijkheden zulk een scherpe wending, dat er over een mogelijken oorlog gesproken werd. Alleen het feit, dat Peru ook grensgeschillen met andere buren had, dwong het om in te binden.

In Augustus 1910 besloot de Kamer tot uitvoering der ontworpen verbetering van de haven van Valparaiso. Ook aan de binnenlandsche kolonisatie werd veel aandacht gewijd; een commissie zou daarvoor de Z.lijke provincies bereizen. Het spoorwegnet werd uitgebreid, en den 16den Januari 1911 werd te Santiago een internationale tentoonstelling voor schoone kunsten geopend. Intussclien werden onderhandelingen gevoerd over een complex salpetermijnen met een productie van 20 millioen centenaars,wat niet op een gunstigen financiëelen toestand wijst. Daarbij bleef de verstandhouding met Peru ook in 1912 slecht, terwijl de moeilijkheden met Bolivia betreffende de salpeterfabrieken in Toco in Juni 1912 nog niet bijgelegd waren. Met Argentinië, Brazilië en Ecuador werd in 1912 onderhandeld overliet sluiten van handelsverdragen.

China. Een commissie, welke in Japan en Europa de staatkundige, maatschappelijke en bestuursinstellingen had bestudeerd, bracht aan den keizer een rapport uit, op grond waarvan deze den lsten September 1906 de noodzakelijkheid van een grondwet proclameerde, zoodra de noodige bestuurs- en finantiëele hervormingen deze voldoende voorbereid zouden hebben. Een eerste maatregel in die richting was het besluit van den 208ten November 1906, waarbij het gebruik van opium binnen 10 jaar geheel moest afgeschaft zijn. In September 1907 volgde een keizerlijk edict, bepalende, dat binnen 9 jaar het eerste parlement moest worden bijeen geroepen; inmiddels zou in elke provincie een Raad van Bijstand uit de bevolking worden samengesteld. De voorbereiding werd opgedragen aan een nieuwen Raad van State (Tsjisjengyoean), onder voorzitterschap van prins Poeloen en van den staatsman Soentsjianai. Nieuwe studie-commissies werden naar Europa gezonden en een herziening van het wetboek van strafrecht voorbereid. In den herfst van 1907 nam de ziekte van keizer Kwanglisoe steeds toe. Den 14den November 1908 overleed hij, na vooraf, in overeenstemming met de keizerin-moeder, den driejarigen Poeyi, een zoon van zijn broeder Tsjoen, als opvolger te hebben aangewezen. Den volgenden dag overleed de keizerin-moeder, waardoor de vader van den nieuwen keizer tot het regentschap werd geroepen. Deze ontsloeg den invloedrijken bevorderaar van gematigde hervormingen, Joeantsikai, den 2ae" Januari 1909 plotseling uit zijn anbten en verbande hem naar zijn geboorteplaats. Algemeen zag men daarin deoverwinning van reactionnaire invloeden aan het Hof, waarom de gezanten van Engeland en Amerika er bezwaren tegen inbrachten. De prins-regent gaf echter de verzekering, dat de staatkunde van hervormingen gehandhaafd zou blijven. De tegenstelling tusschen Mandsjoes, de stamgenooten van het keizershuis, en Chineezen deed zich onder de ambtenaren steeds scherper gevoelen. Zoo was o. a. Joeantsikai in ongenade gevallen, juist omdat hij die tegenstelling wilde opheffen en de erfelijke renten van de baanderheeren intrekken. Zijn opvolger in den Grooten Raad werd de Mandsjoe Natoeng, die zich in 1902

in Japan bij de vooruitstrevende richting had aangesloten.

De poging van de Chineesche regeering om het opiumschuiven ook door verminderden invoer te bestrijden, leed op de opiumconferentie, den l8ten Februari 1909 te Sjanghai geopend, schipbreuk door het verzet van Engeland, welks kolonie Honkong het meest bij den opiumhandel belang heeft. Aan militaire hervormingen werd de grootste aandacht gewijd. Een commissie, onder leiding van den stiefbroeder van den regent, prins Tsai Hsoen, bezocht daartoe Japan, Amerika en Europa. In de provincies hadden de eerste bijeenkomsten der Raden van Bijstand van de onderkoningen plaats. Vragen van buitenlandsche staatkunde bemoeilijkten echter de regelmatige binnenlandsche ontwikkeling. De Amerikanen hadden een vroeger verkregen spoorwegconcessie aan de regeering terugverkocht, maar eischten nu van de leening voor den spoorweg Hankou— Sz'tsjwan een evengroot gedeelte voor zich op als Engeland, Duitschland en Frankrijk zouden plaatsen. Bovendien vroegen zij concessie voor een spoorweg in Mandsjoerije van Aigoen aan de Amoer over Tsitsikar naar Nioetsjwang aan de Golf van Petsjili. De Chineesche kapitaalbezitters en spoorweg;bouwers verzetten zich daartegen, wat nationalistische instincten wakker maakte, evenals het overplaatsen van den vice-koning Toeangfan, een Mandsjoe, van Nanking naar Tiëntsin en zijn vervanging door den Chinees Tsjangjentsjun, die te Kanton den Japanschen smokkelhandel krachtig had bestreden, en in de Z.lijke provincies een beweging tegen buitenlandsche invloeden begunstigde. Intusschen keerde zij zich ook tegen de heerschende dynastie, welke haar daarom van uit Peking door het zenden van troepen bestreed. In de provincie Hoenan, waar men de hooge rijstprijzen in verband bracht met speculaties van provinciale ambtenaren, vond de beweging eveneens voedsel, zoodat in het voorjaar van 1910 in het Z. van het rijk de voorteekenen van een gevaarlijke beweging vielen waar te nemen.

Het aanzien van de regeering leed ook door het gebrek aan succes bij haar optreden tegen de eischen van Rusland en Japan. Zij moest haar medewerking verleenen aan het streven van Rusland naar een kortere spoorwegverbinding van Peking met Europa in aansluiting aan den Baikalspoorweg; tegen de vestiging van een Russisch consulaat in de Mongoolsche grensplaats Taonanfoe, die niet voor den vreemden handel is geopend, protesteerde zij tevergeefs en tegen de doorvoering van politiemaatregelen door Rusland in de plaatsen langs den spoorweg in Mandsjoerije, moest zij in December 1909 de hulp der mogendheden inroepen. Evenmin had zij succes met haar optreden tegen Japan, dat de Chineezen het doortrekken van den spoorweg zelfs over een korten afstand N.waarts verbood en als schadeloosstelling een strook woesten grond aanbood, waarop China reeds oudere rechten deed gelden. Het voorstel van het Waiwoepoe om de zaak aan het Haagsche scheidsgerecht te onderwerpen, wees Japan van de hand, dat door bedreiging en een ultimatum de Japansch-Chineesche overeenkomst van den 4dcn September 1909, waarbij o. a. de Toemen als grens tusschen Korea en China werd aangewezen, doordreef.

Al deze gebeurtenissen schokten de positie van de hervormingsgezinde Mandsjoe-partij aan het hof. Een symptoom van de algemeene ontevredenheid

Sluiten