Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was de mislukte aanslag van den 278ten December 1909 op den prins-regent. Daar de bemoeiingen van de regeering in het N. van het rijk tegen Rusland en Japan vruchteloos bleven, kwam het er voor haar op aan haar gezag in het Z. te versterken. Aan Portugals verzoek, om de grensregeling van Macao aan de uitspraak van het Haagsche scheidsgerecht te onderwerpen, weigerde zij te voldoen. Vooral krachtig trad zij op tegen den Dalai-Lama van Tibet, die op grond van de Russisch-Engelsche overeenkomst van den 318,en Augustus 1907 zijn souvereiniteitsrechten wilde uitbreiden. Een Chineesch leger rukte in het voorjaar van 1910 Tibet binnen en de Dalai-Lama vluchtte naar Britsch-Indië. Ook slaagde zij er in om een militaire muiterij te Nanking te onderdrukken.

De aandrang van het Chineesche volk naar een parlement leidde in 1910 tot belangrijke tegemoetkomingen van de regeering. Den 30sten Januari 1910 weigerde een keizerlijk dekreet echter het verzoek van de provinciale Raden van Bijstand of Landdagen om het toegezegde parlement vóór den vastgestelden termijn (1916) bijeen te roepen, waarbij ; als argument werd aangevoerd, dat de bevolking nog niet voldoende was voorbereid. Een maatregel in die richting bedoelde, naast de reeds genoemde, de afschaffing van de slavernij (10 Maart). Den 9den Mei riep echter een keizerlijk dekreet tegen den l8ten November 90 notabelen bijeen tot een vergadering (Tsjoejeng Yoenan), die over de samenstelling van het parlement zou beraadslagen. Wel poogde zij de daardoor gewekte verwachtingen te onderdrukken, door den 278ten Juli nogmaals te verklaren, dat bijeenroeping vóór 1916 onmogelijk was, maar daar de vergadering van notabelen eenstemmig de bijeenroeping verlangde, gaf de regeering toe en beloofde uiterlijk binnen 3 jaar de instelling van een parlement van twee Kamers. Als voorbereiding daartoe werden afzonderlijke ministeries van Oorlog en Marine in het leven geroepen.

In de buitenlandsche staatkunde bleef het succes nog steeds achterwege. Het geschil met Portugal over Macao leidde in het begin van 1910 tot een latenten oorlogstoestand, waarin de onbetrouwbaarheid der troepen in Z.-China duidelijk aan den dag kwam. Een poging van de Vereenigde Staten van N.Amerika om door zes mogendheden: Amerika, Engeland, Frankrijk, Duitschland, Rusland en Japan de spoorwegen in Mandsjoerije onzijdig te doen verklaren en hen aldus voor China te behouden, had slechts een Russisch-Japansche overeenkomst ten gevolge (3 Juli 1910), waarbij China zich moest neerleggen, ofschoon zijn soevereiniteit in Mandsjoerije en Mongolië er door bedreigd werd. Tevergeefs trachtte het door concessies aan Amerikaansche spoorwegmaatschappijen een tegenwicht er tegen te scheppen. Alleen in Tibet had het succes.

Het Chineesche volk bleek eenerzijds niet tevreden met de langzame invoering van een grondwettelijke regeering, anderzijds was het verbolgen over de buitenlandsche staatkunde en de anti-nationale spoorwegstaatkunde van de centrale regeering te Peking. De gevolgen van de longenpest-epidemie, die in den winter van 1910—1911 Mandsjoerije en Mongolië teisterde, en van overstroomingen en hongersnood in enkele der centrale provincies deden de rest. De oude, algemeene haat in Z. China tegen de Mandsjoes gaf aan de revolutie, die het eerst te Tsjetsjoean uitbarstte, eenheid en leiding. Was zij

hier gericht tegen de spoorwegstaatkunde van de regeering, te Woetsjang, Hankeoe en Ilanjang, waarheen de beweging oversloeg, nam zij het karakter van een militaire omwenteling aan. Zij verbreidde zich over geheel China, vond later aanhang in Mandsjoerije, Mongolië en Tibet, en ook de vloot ging allengs geheel naar de opstandelingen over, terwijl de regeering zich alleen in het N. van het land kon handhaven. In dien nood riep de Mandsjoe-dynastie Joeantsikai weder aan het bewind. De actie van de regeeringstroepen tegen Hankeou en Hanjang, door hem voortgezet, had succes. De leider van de opstandelingen te Woetsjang, Lioe-Eng-Hoeng, was zelfs gedwongen een wapenstilstand te vragen. Het hoofdkwartier van de opstandelingen werd naar Shanghai overgebracht, waar in December 1911 onderhandelingen tussehen vertegenwoordigers van hen en van Joeantsjikai gevoerd werden. Deze laatste streefde naar een constitutioneele monarchie onder den keizer, de opstandelingen wenschten de republiek. Vertegenwoordigers van 18 provincies koi zen dan ook dr. Soen-Jat-Sen te Nanking tot president. Alle pogingen van Joeantsikai om de leiders der revolutionnaire partij voor zijn denkbeelden te winnen, faalden, waarop hij de Mandsjoe-dynastie wist te overtuigen van de noodzakelijkheid om afstand te doen van den troon. Daarop werd den 4aea Februari 1912 een keizerlijk edict afgekondigd, waarbij aan Joeantsikai werd opgedragen met de revolutionnairen te Nanking in overleg te treden om een republiek te vormen. Na eenige onderhandelingen gelukte hem dit en den 14den Februari vaardigde Joeantsikai het decreet uit, waaHn vermeld stond, dat China voortaan den naam zou dragen Ta tsoen-hoaminko (Groote republiek van het midden der beschaving). Den dag daarop werd Joeantsikai te Nanking tot voorloopig president der republiek gekozen, terwijl Soen-Jat-Sen,in overeenstemming met zijn vroeger afgelegde verklaring, vrijwillig aftrad.

Groot waren de moeilijkheden, welke Joeantsikai had te overwinnen. In verschillende deelen van het rijk bleef het onrustig; Tibet en Mongolië, waarschijnlijk in de verwachting van buitenlandsche (Russische) hulp, weigerden den nieuwen toestand te erkennen en wilden zich onafhankelijk maken, terwijl de geldelijke toestand zeer ongunstig was en langdurige onderhandelingen met de groote mogendheden omtrent het aangaan eener leening tot heden (Juni 1912) mislukten, wijl China niet genegen was aan de hooge eischen te voldoen.

Den 288ten April werd de Nationale Vergadering, die inmiddels gekozen was, te Peking geopend, hoewel het lang geduurd had, voor Joeantsikai er in geslaagd was de revolutionnaire partij te doen afzien van den eisch, dat de hoofdstad naar Nanking zou worden verlegd. De opening geschiedde op plechtige wijze in tegenwoordigheid van alle ministers en 74 afgevaardigden. Joeantsikai hield een program-rede, waarin hij de dekking der begrooting door de ontginning van nieuwe hulpbronnen besprak en een verhooging aanbeval van de in- en uitvoerrechten, den zoutaccijns, afschaffing van de likin en verbetering van de munt.

Ook over de voorloopige grondwet was men tot overeenstemming gekomen. Deze grondwet treedt in de plaats voor de voorloopige Grondwet van Nanking en de 19 punten der Grondwet, die de Mandsjoedynastie toestond. Eerst keurde de vergadering te

Sluiten