Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillende wijzigingen in de grondwet zou aanbrengen. Intusschen duurden de onzekere toestanden voort.

Een belangrijke gebeurtenis in de binnenlandsche staatkunde was de benoeming van den Kretenzer Eleutherios Venizelos tot minister-president (19 October 1910). Daar de Nationale Vergadering, onder Dragoemis bijeengeroepen, door haar samenstelling en groepeering den premier geen waarborg bood voor de verwezenlijking van zijn plannen, ontbond hij haar den 25sten October en schreef den 28sten November nieuwe verkiezingen voor een tweede Nationale Vergadering uit. Door de onthouding van de zoogenaamde oude partijen: die van Theotokis, van Ralli en van Mavromichalis en door het krachtig optreden van den „nieuwen" man, van wien Griekenland de bevrijding van de voortdurende twisten dier partijen verwachtte, bereikte Venizelos volledig zijn doel. De tweede Nationale Vergadering kwam den 8Bten Januari 1911 te Athene bijeen en had in 5 maanden haar taak voltooid.

De vereeniging van Kreta met Griekenland, in 1908 geproclameerd, kwam niet tot uitvoering, ofschoon den 26sten September 1911 het hoofdcommissariaat van Zaimis, dat trouwens practisch reeds lang alle beteekenis had verloren, eindigde. De 4 beschermende mogendheden zijn er niet voor te vinden om ten aanzien van de souvereiniteit van Turkije iets aan den status quo te veranderen. Deze opvatting spraken zij den lldcn September 1911 in een nota aan den koning van Griekenland uit. In 1912 kwam te Kanea een revolutionnair parlement bijeen, dat het besluit nam Kretenzische afgevaardigden naar de Grieksche Kamer te zenden. Toen echter de beschermende mogendheden hun veto ook over dit plan hadden uitgesproken, nam Griekenland maatregelen om de uitvoering te beletten en zoo is het tot heden gelukt, de afgevaardigden van Kreta buiten de Kamer te houden.

Groot-Brittannië en Ierland. Nadat Asquith den 5den April 1908 aan het hoofd van het ministerie was gekomen, onderging dit ook verder enkele wijzigingen. De voornaamste bestond hierin, dat de minister van Marine, lord Tweedmouth, wiens positie door zijn briefwisseling met den Duitschen keizer over de sterkte van de vloot sterk geschokt was, met het presidentschap van den Geheimen Raad werd belast. De parlementaire positie van het ministerie was er echter niet sterker op geworden. Het Hoogerhuis verwierp den 25sten November bij tweede lezing, zelfs zonder artikelsgewijze behandeling het wetsontwerp op de vergunningen, dat in het Lagerhuis was aangenomen. En de onderwijswet, welke de nieuwe minister Runciman, om haar voor de Anglikaansche Partij aannemelijk te maken, vergeleken bij het ontwerp van zijn voorganger, belangrijk had gewijzigd, werd in het Lagerhuis zoo ongunstig ontvangen, dat de regeering haar den 7den December, nog vóór de beraadslagingen geëindigd waren, introk. Alleen kwam er, afgezien van een aantal minder belangrijke wetsontwerpen, een wet op de ouderdomspensionneering van arbeiders tot stand.

In de buitenlandsche staatkunde was de toenadering tot Rusland, welke in de samenkomst van koning Eduard en czaar Nicolaas te Reval op den 9den Juni 1908 haar bekroning vond, van veel belang. De beide mogendheden bepaalden in onderling overleg

haar houding ten aanzien van het Oostersche vraagstuk. Een gemeenschappelijk optreden op het Balkanschiereüand werd door de veranderingen in Turkije onmogelijk, maar, bij de onafhankelijkheidsverklaring van Bulgarije en de annexatie van Bosnië en de Herzegowina, kwam de nieuwe machtsgroepeering van de triple entente: Engeland, Frankrijk en Rusland tegenover Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, waarbij Italië door zijn eigenaardige belangen tusschen beide partijen heen en weer dobberde, duidelijk aan het licht. Dat daardoor de naijver tusschen Duitschland en Engeland opnieuw werd aangewakkerd, kon de ontmoeting van keizer Wilhelm en koning Eduard op den llden Augustus 1908 te Cronberg niet ongedaan maken. Deze naijver trad duidelijk aan het licht in de rede, welke de Engelsche veldmaarschalk lord Roberts den 23sten November 1908 in het Hoogerhuis hield en waarin hij wees op het gevaar van een Duitschen inval in Engeland. Maar ook in de. debatten in den Duitschen Rijksdag van December 1908 kwam hij tot uitdrukking. Het was onder die omstandigheden, dat het bezoek van koning Eduard aan Berlijn (9—12 Februari 1909) niet onwezenlijk bijdroeg tot het verbeteren van den toestand.

De strijd tusschen de beide groote staatkundige partijen op economisch terrein, was op politiek gebied overgegaan in een strijd tusschen het Lagerhi: is, waarin de liberalen en het Hoogerhuis, waarin de conservatieven de meerderheid hebben. In de zitting van 1909 bracht de regeering het terrein van den strijd op het gebied van het begrootingsrecht over. In de vier jaren van haar bewind had zij het moeten aanzien, dat hervormingsmaatregelen, welke door de liberalen waren beloofd, door de conservatieve meerderheid in het Hoogerhuis, geïnspireerd door A. Baljour en aangevoerd door lord Lansdowne werden verworpen of belangrijk gewijzigd. Ook in 1909 scheen het dien kant te zullen opgaan. Een ontwerp, om althans voor de Londensche kiesdistricten het meervoudig kiesrecht door enkelvoudig te vervangen, werd den 8sten November 1908 verworpen, en een nieuwe Iersche landwet kon alleen door belangrijke concessies aan de conservatieven voor hetzelfde lot behoed worden. Voor financiëele wetten gold echter het ongeschreven gewoonterecht, dat de lords de bevoegdheid van amendeeren misten en dat zij feitelijk een zoodanige wet, door het Lagerhuis goedgekeurd, slechts konden aannemen. De begrooting, den 19den April 1909 door den kanselier van de schatkist, Lloyd-George, aan het Lagerhuis aangeboden, bevatte, naast verschillende posten tot uitvoering van de ouderdomspensionneering, andere tot uitbreiding van de vloot, welke de conservatieven in het bijzonder eischten. De regeering wilde de middelen daarvoor vinden o. a. uit een verhoogde belasting op de geestrijke dranken en verder door een nieuwe regeling van de grondbelasting in verband met de invoering van een belasting op de waardevermeerdering van den grond. Over deze beide ; punten, waarbij verschillende leden van het Hooger, huis rechtstreeks of middellijk waren betrokken, zou de strijd loopen.

Reeds in het Lagerhuis ging het heftig toe. De debatten duurden 58 dagen, waardoor een herfstzitting noodig was, en eindigden eerst den 4den Novem: ber, toen de begrooting in derde lezing werd aange; nomen. In het Hoogerhuis splitste zich de conserva-

Sluiten