Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleven volgen. Dientengevolge zag zich het demissionnaire Kabinet den 18deB December gedwongen om een voorloopige begrooting in te dienen, welke echter niet werd behandeld. Zoo kwam het, dat het land zich met het begin van 1910 tevens aan het begin van een tweeden ex-iez-toestand bevond.

Den 17den Januari verkreeg het coalitie-ministerie eindelijk zijn ontslag, nadat graaf Khuen-Hcdervary zich bereid had verklaard om, zonder welke tegemoetkomingen ook, een Kabinet uit de Liberale Partij te vormen. Intusschen slaagde hij er voorloopig slechts in om een romp-ministerie in het leven te roepen, dat den 17den Januari te Weenen werd benoemd. Graaf Khuen trad op als president, en minister van Binnenlandsche Zaken, minister bij het Hof van Kroatië, Lukacs kreeg Financiën, Székely Justitie, Onderwijs en Eeredienst, Hieromymi Handel, Serenyi Landbouw en llazai Landsverdediging. Later, denl8ten Maart, namZichy Onderwijs en Eeredienst over. Den 278ten Januari stelde het Kabinet zich aan het Huis van Afgevaardigden voor. Het kondigde verschillende wetsontwerpen aan, waaronder een voorloopige begrooting voor den tijd van 2 maanden. Terstond stelde Justh een scherpe motie van wantrouwen tegen de „inconstitutioneele en buiten-parlementaire" regeering voor. Na stormachtige debatten werd zij 4 dagen later met groote meerderheid aangenomen, evenals een motie ten gunste van de oprichting van een zelfstandige Hongaarsche Bank. Khuen verklaarde daarop, dat het ministerie zich zou beraden over ontslagname of over ontbinding van het Huis. Tevens reikte hij een koninklijk besluit van den 20stei1 Januari over, waarbij de Rijksdag tot den 248ten Maart werd verdaagd. De onafhankelijkheidspartij diende daarop, evenals in 1905, bij monde van graaf Batthy 'my een verklaring in, behelzende dat deze verdaging gedurende den «x-/ex-toestand, in strijd met artikel X van de overeenkomst van 1867, onwettig en een schending van <le grondwet was, op grond waarvan het Huis aan liet ministerie-Khuen het recht tot uitoefening van de regeering, met name het invorderen van de belastingen en de recruteering ontzegde. Ook dit voorstel werd met groote meerderheid aangenomen. Den 29sten Januari sprak ook het Magnatenhuiseenplechtig protest tegen de verdaging uit. Op een verzoek om ontslag van het ministerie antwoordde de Kroon met een besluit tot ontbinding van den Rijksdag. Khuen beproefde thans de vorming van een nieuwe regeeringspartij. Met behulp van graaf Tisza slaagde hij erin, om uit de Oud-liberale partij, uit een gedeelte van de Grondwetspartij van Andrassy, de Zevenburger Saksers en uit de Kroaten één geheel te vormen. Ofschoon Andrassy zijn pogingen gesteund had door zijn eigen partij tot vrijwillige ontbinding te bewegen, hielden hij en zijn voornaamste medeleden zich onzijdig. Den 14den Februari publiceerden de leiders van de nieuwe partij, Nationale Arbeidspartij geheeten, een door graaf Tisza gestelden oproep van het volk, waarop den 19den Februari de partij officieel werd gesticht. Na stormachtige debatten werd de Rijksdag den 21sten Maart ontbonden. De verkiezingen van den 21slen Mei verschaften Khuen, die de leus van handhaving van den ,,Ausgleich" van 1867 op den voorgrond had geplaatst, een niet verwachte groote meerderheid; de Nationale Arbeidspartij beschikte in de nieuwe Kamer over 257 van de 395 zetels. De koning opende persoonlijk

den2östen Juni de zitting; de eerste bijeenkomst verliep rustiger dan men had durven verwachten.

Den 16den November 1910 werd de Rijksdag na een lange zomervacantie weder geopend. Al bleek de tegenstelling tusschen agrariërs en mercantilisten ook in den nieuwen Rijksdag te bestaan, toch werden verschillende wetsontwerpen, o. a. op de staatsexploitatie van petroleum, aardgassen enkalizouten, aangenomen. Ook de begrooting voor 1911 werd toegestaan. Grootere moeilijkheden bracht reeds het ontwerp tot het verlengen van het privilege van de Oostenrijk-Hongaarsclie Bank tot 1917. De verwachting, dat daarin de verplichte betaling in baargeld zou opgenomen worden, werd echter niet vervuld, en al had Khuen bepalingen er in opgenomen, welke de volvoering van dezen wensch althans in 1917 waarborgden, de oppositie verzette zich toch tot het uiterste. Alleen de reusachtige meerderheid van de Nationale Arbeidspartij redde het ontwerp. De nieuwe legerwet, den 23steB Mei 1911 ingediend, deed de moeilijkheden evenwel nog toenemen. Zij beoogde de invoering van een 2-j arigen, actieven diensttijd, de verhooging van het vredescontingent van 56 576 op 68 187 man en de invoering van een landweer op een sterkte van 25 000 man. De oppositie eischte als compensatie o. a. dat de troepen voortaan in de taal des lands zouden worden gecommandeerd en verweerde zich met alle middelen van de technische obstructie. Vlak voor een parlementaire anarchie en een hernieuwden ex-lex-toestand, gelukte het Andrassy den 8sten November om de partijen tot een vergelijk te brengen. De oppositie zou de technische obstructie opgeven, in ruil waarvoor de regeering van de benoeming van graaf Tisza tot voorzitter van het Huis als opvolger van Berzeviczy zou afzien. Tot den 16den December zou aan de begrooting worden gewerkt, terwijl daarnaast wekelijks in twee zittingen met de beliMideling van de legerwet zou worden voortgegaan. Na nieuwjaar 1912 zou de oppositie weder haar volle vrijheid van beweging herkrijgen. Op grond van dit vergelijk werd in plaats van Berzeviczy, die vrijwillig ontslag nam, Ludwig von Navay tot voorzitter van het Huis van Afgevaardigden gekozen. Ladislaus von Beöthy was den 18den October den overleden Hieronymi als minister van Handel opgevolgd.

1 n 1912 maakte de oppositie van de herkregen vrijheid om obstructie te voeren een zeer ruim gebruik en de behandeling der legerwet gaf niet alleen aanleiding tot een kabinetscrisis, maar leidde op het einde van Maart bijna tot een keizercrisis. In de nieuwe wet op de landsverdediging moest n.1. een bepaling van de oude wet woordelijk worden overgenomen, welke zegt, dat, wanneer bijzondere omstandigheden het eischen, de manschappen der eerste lichting van de reserve en de drie laatste lichtingen van de buitengewone reserve ook in vredestijd op bevel des keizers in actieven dienst kunnen worden opgeroepen. Nu was de voornaamste voorwaarde, waarop de Kossuth-partij haar steun aan de legerwet wilde geven, deze, dat de regeering een motie zou redigeeren of een resolutie, die door beide Huizen van het parlement zou moeten worden aangenomen, waarin uitdrukkelijk werd verklaard, dat de keizer dit recht niet had. De strekking van zulk een resolutie zou dus deze zijn dat het recht tot bewilliging der recru ten, hetwelk aanhetparlement toekomt, niet illusoir gemaakt zou worden door dit recht van de

Sluiten