Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Icarus. Zie Ikaros.

Iep of IJp. Zie Olm.

Inclinatorium. Zie Magnetisme.

Incrustatie. Zie Omkorsting.

Infusoriënaarde. ook Bergmeel, Diatomeeënaarde en Kiezelgoer geheeten, is een gesteente, dat in hoofdzaak is samengesteld uit de uit amorf kiezelzuur bestaande pantsers van afgestorven diatomeeën. Het vormt, een lichte, meelachtige, witte, grijze, bruinachtige of lichtgroen gekleurde massa, is onsmeltbaar, niet verbrandbaar, bezit een groot wateropslorpingsvermogen en biedt bij gewone temperatuur weerstand aan de meeste scheikundige stoffen. Het bestaat uit 76—90 % kiezelzuur en 8—13 % water en vormt somtijds uitgestrekte banken in tertiaire en quaternaire formaties, dikwijls in de buurt van bruinkool- of veenlagen. Het wordt gebruikt tot vervaardiging van dynamiet, ultramarijn-, anilineen alizarineverven, vooral ook van waterglas. Ook bij de bereiding van steenkit, cement, kunststeenen enz. vindt het toepassing, evenals bij het filtreeren, het afwateren van vochtige terreinen, het aanbrengen van absorbeerende lagen, het bereiden van goedkoope kleurstoffen, in de papierfabricage, die van getah pertja- en caoutchoucartikelen enz., ook als poetsmiddel van metaal en glas, als reinigingsmiddel van vettige voorwerpen en deelen van machines, bij het vervaardigen van porselein, papiermaché, glazuren, kunstmatige puimsteen en slijpsteenen enz. bewijst het goede diensten, alsmede in den landbouw. In Zweden en Finland wordt het nog heden ten dage, evenals vroeger dikwijls in oorlogstijd, met meel vermengd tot brood gebakken.

ïngrenhousz, Jan, kol. 2, reg. 26 v. ond. staat: 1722, lees: 1772.

lnsulinde. Ontdekkingsgeschiedenis. Sedert het begin der 20ste eeuw werd onze kennis door tal van meer of minder omvangrijke ontdekkingsreizen niet weinig vermeerderd. Zoo bereisde A. Pjlüger Java, Sumatra, Celebes en de Molukken, 11. V. Pedersen Z.lijk Sumatra en Java, K. Giesenhagen Sumatra; W. Volz bezocht in de jaren 1899—1901 voor de tweede maal Sumatra, in het bijzonder het Z. en de Padangsche Bovenlanden. De resultaten van deze reis vatte hij samen in zijnwerk „ZurGeologie vonSumatra'Mn 1904—1906 bezocht hij in opdracht van de Koninklijk Pruisische Academie van Wetenschappen te Berlijn, Sumatra voor de derde maal, waarbij hij drie expedities ondernam naar de Batak- en Gajolanden, ter bestudeering van den bouw van het gebergte en van de vulkanen. A. W. Nieuwenhuis besteeg op zijn laatste reis door Borneo den 1800 m. hoogen Lasan Toejang. Hij vertoefde een jaar lang onder de Bahans aan den Mahakam, voer in 1900 de Boh op en kwam aan gene zijde van de waterscheiding bij de vroeger zoo beruchte Kajanstammen, waarover zijn oordeel evenwel zeer gunstig luidt. De huisindustrie, vooral de pottenbakkerij, het smeden en de ornamentiek staan bij deze stammen op een hoog peil. De vrucht van zijn reis waren o. a. „In Centraal-Borneo", (Leiden, 1901) en het meer omvangrijke werk „Quer durch Borneo". (2 dln., Leiden, 1904—1907). A. Maasz en Kleiwend bereisden |

in 1906 het binnenland van Sumatra. Maasz deed een etlmologisch onderzoek bij de stammen van liet binnenland, terwijl Kleiwend de Swalm anthropologisch onderzocht. In hetzelfde jaar vertrok onder leiding van mevrouw Selenka en van den geoloog Elbart de Trinil-expeditie naar Midden-Java, om den ouderdom te bepalen van de beenderenlagen, waarin Dubois bij het dorpje Trinil de overblijfselen van het geraamte van den pitheeanlhropus erectus had gevonden. Het resultaat was, dat deze lagen zouden behooren tot het diluviale en niet tot het tertiaire tijdvak. A. H. Spaan onderzocht O.lijk Borneo, terwijl B. D. Verleek een geologische beschrijving van de Bandaeilanden leverde. De Zwitser H. Hirschi trok tweemaal langs nog onbekende wegen door Portugeesch Timor om een onderzoek in te stellen naar petroleumbronnen; daarbij kon hij het voorkomen van Juralagen vaststellen. N. O. J. Nieuioenkamp beklom in November 1906 voor het eerst den vulkaan Batoer op Bali. J. H. W. van der Miesen onderzocht het eiland Boeroe, terwijl J. W. Tissot van Palot in 1907 het Z.lijkste en grootste der Aroeëilanden bereisde, van welk eiland hij een kaart publiceerde. H. Hirschi ondernam in het voorjaar van 1907 een geologischen onderzoekingstocht in het nog onbekende deel van het gebied der rivieren Moeroeny en Barito in Centraal-Borneo. Kapitein L. S. Fischer beëindigde in 1907 een reis door het N. O. van Nederlandsch Borneo, waarop hij den bovenloop van de Bahau opnam, M. Moszkowski bereisde in 1907 O. en CentraalSumatra. Het landschap Bada ten W. van het PosoMeer in Midden-Celebes werd in 1908 bezocht door den zendeling Kruijt, die er een ethnografisch onderzoek instelde. Een Duitsche expeditie naar de Soenda-eilanden onder Elbert vertoefde 3 maanden op Lombok. Het kratermeer Segara Anak werd bevaren en de hoogte van den aangrenzenden vulkaan Goenoeng Rindjani bepaald op 3600 m. Luitenant H. Gramberg bereisde in 1908 N.-O. Borneo. Hij trok over de waterscheiding tusschen den Mahakam en den Kajan, voer dezen af tot de monding van de Meiera, trok om de stroomversnellingen van de Kajan en ging daarna over land naar de Bahau, welke hij stroomafwaarts volgde tot Tandjoeng Selor. W. van Bemmelen onderzocht in 1908 het Krakatau-Meer ten einde na te gaan of er na de peilingen van Verbeek, kort na de uitbarsting van 1883, bodemveranderingen hadden plaats gevonden. De waargenomen veranderingen kunnen echter volgens hem uit mechanische afspoelingen worden verklaard. E. C. Abendanon onderzocht in 1909 voor het eerst het W.lijk schiereiland van Celebes met het oog op ontginbare delfstoffen; een inlandsch landmeter nam den weg in de weinig bekende streek op. Daarna vertrok hij van de Golf van Boni, dichtbij Palopo, trok door Mamara naar Enrekang en bereikte te Pare Pare de Straat van Makasar. Daarbij bleek, dat de Sadang de voornaamste rivier van Celebes is. Ten slotte poogde hij om, dwars door het Z.O.lijk schiereiland, van Malili aan de Golf van Boni naar de Golf van Tomini te trekken. Hij ging langs de Malili-rivier, tot waar zij ophoudt bevaarbaar te zijn, trok over de 600—600 m. hooge waterscheiding naar het Matoena-Meer,

Sluiten