Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K.

Kabouter. Zie Aardmannetje.

Kalender vormt als de leer van die vormen van tijdrekening, welke bij de voornaamste cultuurvolken van den tegenwoordigen tijd in gebruik zijn, een onderdeel van de chronologie. Deze kan worden verdeeld in wis- of sterrenkundige chronologie, welke dat gedeelte van de sterrenkundige wetenschap omvat, dat ons een inzicht geeft in de regelmatig of onregelmatig terugkeerende verschijnselen, welke als basis voor de tijdindeeling dienen, en in de technische of geschiedkundige chronologie, welke de vormen van tijdrekening behandelt, die bij de verschillende volkeren langzamerhand zijn ontstaan en tevens haar veranderingen nagaat. Een tak van deze technische chronologie vormt de leer van den kalender.

De Christel ij ke kalenders, zooals wij hen thans kennen, hebben zich uit den kalender, welke in het oude Rome in gebruik was, ontwikkeld. Een duidelijk beeld van dien Romeinschen kalender bezitten wij niet. Tot aan Julius Caesar heeft een goed geordend kalenderwezen bij de Romeinen eigenlijk niet bestaan. Voltaire kon dan ook zeggen: de Romeinsche veldheeren overwonnen steeds, maar ze wisten niet, op welken dag zij de overwinning behaalden. In groote trekken heeft hun kalenderwezen er vermoedelijk aldus uitgezien. Het oudste, door Romulus ingevoerde jaar, had 10 maanden, welke waarschijnlijk maan-(= synodische)maanden waren. De latere kalender, waarvan de invoering aan Numa Pompilius wordt toegeschreven, had in ieder geval jaren van 12 maanden. Haar namen en vermoedelijk aantal dagen volgen hieronder:

Volg- Aantal

nummer NAAM. dagen.

1 Martius 31

2 Aprilis 29

3 Majus 31

4 Junius 29

5 Quintilis 31

6 Sextilis 29

7 September 29

8 October 31

9 November 29

10 December 29

11 Januarius 29

12 Februarius 27

De verklaring van deze namen wordt gewoonlijk aldus gegeven, dat de eerste maand aan Mars, de tweede aan Apollo (Aperto), de derde aan Jupiter (Majus) en de vierde aan Juno gewijd waren. De vijfde tot de tiende worden door haar ordegetallen (quintus = vijfde, enz.) aangeduid; de elfde was aan Janus en de twaalfde eindelijk aan Plulo (Februus) gewijd. De lengte van het aldus bepaalde jaar bedroeg 354 dagen. Om nu echter met het zonne- (tro¬

pische) jaar, waarmede bijv. de opeenvolging van de jaargetijden samenhangt en dat dus ons leven op aarde feitelijk beheerscht, in overeenstemming te blijven, werd om het andere jaaf aan de 12 maanden een schrikkelmaand (mensis intercalarisoïMarcedonius) toegevoegd. Deze had afwisselend 22 of 23 dagen, waardoor de werkelijke gemiddelde lengte van het jaar 36574 dag bedroeg en het zich dus goed aansloot bij het zonnejaar. In de schrikkeljaren eindigde Februari met het feest der Terminaliën (terminus = einde), dat op den 23sten Februari viel; de laatste vier dagen van Februari werden dan bij Marcedonius geteld.

Was dit schrikkelstelsel reeds niet gemakkelijk, nog onhandiger was de onderverdeeling van de maanden. In alle maanden heette de eerste dag calendae (Grieksch v.aXeiv = roepen), omdat, naar het heet, deze dagen oorspronkelijk in het openbaar werden uitgeroepen. In Martius, Majus, Quintilis en October heette dan verder de 7de dag nonae en de 15de idus, in de andere 8 maanden vielen de nonae op den öden en de idus op den 13den dag van de maand. Van deze drie vaste termijnen in de maand, werden de andere dagen teruggeteld. Van heel deze ingewikkelde wijze van dateering hebben wij niets behouden dan het woord „kalender"; de Romeinen noemden, wat wij met dezen naam aanduiden, fasti, terwijl de tweede, bij ons gebruikelijke naam voor kalender, almanak, uit het Arabisch afkomstig is.

De verwarringen in het Romeinsche kalenderwezen ontstaan, doordat de invoeging van de schrikkelmaand — zij was niet bij de wet geregeld, maar hing van het believen van den pontifex maximus af — niet regelmatig plaats vond, werd eerst afdoende opgeheven door Caesar. Toen hij voor de derde maal het consulaat bekleedde en tevens pontifex maximus was, voerde hij, met behulp van den Egyptenaar Sosigenes, een ingrijpende hervorming door. Zij was een tweeledige. Om de maanden, welke de jaargetijden toenmaals omstreeks 80 dagen vooruit waren, weder op haar plaats te krijgen, beval hij, dat in het jaar 46 v. Chr. niet alleen Marcedonius met 23 dagen, maar dat bovendien ook tusschen November en December een mensis intercalaris prior met 29 en een mensis intercalaris posterior met 30 dagen en verder nog 7 epagomenen zouden ingeschakeld worden. Het jaar werd daardoor 444 dagen (volgens anderen 445 dagen), waarom het als annus confusionis (beter annus confusionis ultimus = het laatste jaar der verwarring) wordt aangeduid. In de tweede plaats bepaalde hij bij de wet de lengte van het jaar op 365V4dag; een gewoon jaar zou 365 dagen hebben en elk vierde jaar 366 dagen.' Daartoe moest de duur van de meeste maanden worden gewijzigd. Bovendien veranderde de Senaat den naam van de maand Quintilis ter eere van den consul, terwijl Caesar het jaar met 1 Januari deed aanvangen, omdat het reeds sedert lang gebruik was, dat de consuls op dien dag hun ambt aanvaardden. Augustus, voor Caesar niet willende onderdoen, veranderde Sextilis in Augustus en gaf haar op kosten van Februarius ook 31 dagen. Men krijgt aldus het volgende schema:

Sluiten