Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volg- Aantal

nummer NAAM. dagen.

1 Januarius 31

2 Februarius 28 of 29

3 Martius 31

4 Aprilis 30

5 Majus 31

6 Junius 30

7 Julius , 31

8 Augustus 31

9 September 30

10 October 31

11 November 30

12 December 31

Het eerste jaar was een schrikkeljaar. In aansluiting met den oud-Romeinschen kalender (zie boven) werd de schrikkeldag ingevoegd na het feest van de Terminaliën (23 Februari). Daar Caesar de benaming van de dagen naar nonae en idus behield, kreeg, om in schrikkeljaren daarin geen verandering te brengen, de schrikkeldag een afzonderlijken naam. In het schrikkeljaar werd 25 Februari aangeduid als a. d. VI Kal. Mart. (ante diern sextum Kalendas Martius); 24 Februari zou dus aangeduid hebben moeten worden als a. d. VII Kal. Mart. Deze aanduiding kwam echter in een gewoon jaar toe aan 23 Februari. Daaromduiddemen in een schrikkeljaar den 24s,en Februari aan als a. d. bissextum Kal. Mart. In verband daarmede noemde men den schrikkeldag Mssextus en het schrikkeljaar annus Mssextus, waarvan latere chronologen ten onrechte annus bissextilis (Fransch année bissextile) hebben gemaakt.

Deze aldus ingerichte kalender, welke de J u 1 iaansche kalender genoemd wordt, bleef bijna 16 eeuwen lang onveranderd in gebruik, en indien de lengte van het tropische jaar juist 365'/4 dag zou hebben bedragen, dan was hij ongetwijfeld nog thans in gebruik. Evenwel is het zonne-(tropische)jaar in werkelijkheid 11 m. 14 s. korter, waardoor in 128'/3 jaar één dag te veel wordt ingeschakeld. In de 16de eeuw vielen de dag- en nachteveningen daardoor 11 of 12 dagen vroeger dan zij het volgens den kalender hadden moeten doen. Overigens zou het verschil niet zoo spoedig als onaangenaam gevoeld zijn, indien het niet na het Concilie van Nicaea (325) bij de Christelijke volkeren gebruikelijk ware geworden, om het Paaschfeest te vieren op den eersten Zondag na de eerste volle maan na het lente-aequinoctium, waarbij nog kwam, dat men dit laatste later op 21 Maart bepaalde, omdat zulks ten tijde van het genoemde concilie ongeveer het geval was geweest. Johannes de Sacrobosco (1232) deed reeds middelen ter verbetering aan de hand, Roger Baco (f 1294) drong aan op voorziening, kardinaal Pierre cTAilly bood het Concilie van Constanz (1416) een verhandeling over een kalender-hervorming aan en het Concilie van Bazel (1434) benoemde een studiecommissie, waarvan het lid, kardinaal Nicolaus van Cusa, in zijn verhandeling „De reparatione kalendarii"(1436) voorstellen ter wijziging deed. Sixtus IV riep den sterrenkundige Johannes Muller, genaamd Regiomontanus, naar Rome, maar deze overleed reeds spoedig (1476). Het Lateraansche Concilie (1512—1517) _s taak te haar werkzaamheden na de

verklaring van Copernicus, dat de lengte van het zonnejaar, noch die van de synodische maand nauwkeurig genoeg bekend waren. Het Concilie van Trente gaf in 1563 den paus opdracht om misboek en brevier te verbeteren. Gregorius XIII vond daarin aanleiding om de kalender-hervorming krach tig ter hand te nemen. Hij liet een voorstel van Luigi Lilio (f 1576) door verschillende van zijn raadslieden onderzoeken en gaf het daarna in studie aan een door hem benoemde commissie, welke het op haar beurt ter beoordeeling zond aan verschillende vorsten en hoogescholen. Toen enkele goedkeurende antwoorden waren binnengekomen, nam de commissie het voorstel van Lilio aan. Gregorius XIII beval de invoering in den op den 24sten Februari 1582 uitgevaardigden bul „Intergravissimas".

De Gregoriaansche kalender bracht een tweetal veranderingen: de 5'Je October 1582 werd 15 October genoemd, waardoor er 10 dagen uitvielen, en in de tweede plaats zou een eeuwjaar alleen dan een schrikkeljaar zijn, als het zonder rest door 4 deelbaar is. Deze verandering werd alleen in de R. Katholieke landen: Spanje, Portugal en het grootste gedeelte van Italië en Polen terstond ingevoerd. In Frankrijk liet men op den 9den December 1582 dadelijk den 20sten December volgen, terwijl men in de R. Katholieke provinciën van Nederland het jaar 1582 met den 218ten December sloot. In Duitschland voerde het R. Katholieke gedeelte den zoogenaamden nieuwen stijl in 1584 in, in welk jaar ook verschillende Zwitsersche kantons zulks deden. Nadat nog Hongarije den Gregoriaanschen kalender den lslel1 November 1587, had aangenomen, trad er in de verdere uitbreiding een stilstand in. De Protestantsche Stenden in Duitschland besloten eerst den 23sten September 1699 ouden stijl tot invoering van den zoogenaamden verbeterden kalender. Het Paaschfeest werd daarin anders bepaald. Eerst den 13den December 1775 werd ook daarvoor de Gregoriaansche berekening aangenomen. De Protestantsche provinciën en steden van ons land namen den Gregoriaanschen kalender gedeeltelijk den lsteD Juli en den l8ten December 1700, gedeeltelijk den 12den Januari 1701 aan. Engeland volgde in 1752, waarbij tevens de aanvang van het jaar van den 25sten Maart op den lstel1 Jan lari werd gesteld, terwijl Zweden den lsten Maart 1753 den Gregoriaanschen kalender invoerde. Het kanton Grauwbunderland in Zwitserland sloot in 1811 de rij, waarna de Juliaansche kalender of de oude stijl alleen nog gebruikt wordt in Rusland, dat hem eigenlijk eerst den lsten Januari 1700 had aangenomen.

Tot de bijzondere inrichtingen van den Juliaanschen en Gregoriaanschen kalender beide behoort in de eerste plaats de vereeniging van dagen tot weken. De week van 7 dagen is waarschijnlijk aan het Jodendom ontleend. De Joden d iden de dagen der week aan door getallen en geven alleen aan den laatsten dag een naam: sabbat. Toen de Christenen zich scherper van de Joden gingen scheiden, namen zij den eersten in plaats van den laatsten dag van de week tot rustdag en spraken zij in de landen met Latijnsche taal van jeria of feria prima of Domenica, feria secunda enz. voor den latcn, den 2den enz. dag. Maar ook de Egyptenaren kenden een week van 7 dagen. H,,n namen hingen samen met hun voorstelling van de wereld, volgens welke om de aarde als middelpunt zich in steeds wijder banen de Maan,

Sluiten