Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonne- Zondags- Zonne- Zondags-

cirkel. letter. cirkel. letter.

1 GF 15 C

2 E 16 B

3 D 17 AG

4 C 18 F

5 BA 19 E

6 G 20 D

7 F 21 CB

8 E 22 A

9 DC 23 G

10 B 24 F

11 A 25 ED

12 G 26 C

13 FE 27 B

14 D 28 A

Door het uitvallen van sommige schrikkeldagen wordt in den Gregoriaanschen kalender de zonnecirkel van 28 jaar onderbroken en blijft de regelmatige opeenvolging van Zondagsletters alleen behouden voor die perioden, waarvoor elk vierde jaar een schrikkeljaar is. Om nu de Zondagsletter te vinden deelt men het Gregoriaansche jaartal door 28 en vermeerdert de rest met

1 voor de jaren van 1583—1699,

17 voor de jaren van 1700—1799,

5 voor de jaren van 1800—1899,

21 voor de jaren van 1900—2099

en ontleent met het aldus gevonden getal, dat met 28 wordt verminderd als het grooter is, aan bovenstaande tabel de Zondagsletter.

Een belangrijk gedeelte van de kalenderleer vormt de bepaling van het Paaschfeest. Zij houdt verband met een bepaalde maanphase, waarom in den Christelijken kalender de maanrekening naar den cyclus van Meton, een periode van 235 synodische maanden, welke slechts 2 h 5 m 42,72»langer is dan 19 tropische jaren, gevoegd is; zij draagt den naam van maancirkel. Op zichzelf onverschillig met welk jaar men den maancirkel laat aanvangen, heeft men van oudsher aan het gebruik vastgehouden om hem met het jaar 1 v. Chr. te beginnen. In dat jaar viel de eerste nieuwe maan op den 238ten Januari. Op den 23eten Maart was het dus weder nieuwe maan en op den 228ten Maart was de maan dus, zooals men zegt, 30 dagen oud. Daar nu een synodische maand gemiddeld slechts 29 d 12 h 44 m 2,988 lang is, zegt men niet, dat de maan 30 dagen oud is, maar 0 dagen. Deze ouderdom van de maan op een bepaalden dag in het jaar noemt men de epacta van het jaar en den dag zetel der epacta. In het jaar 1 v. Chr: was dus op den 228ten Maart de epacta 0. Daar nu verder een maanjaar van 12 synodische maanden 10.8829 dagen korter is dan een Juliaansch jaar, was in het volgend jaar 1 n. Chr. de maan op den 22stea Maart rond 11 dagen ouder dan in het vorige, d. w. z. de epacta van het jaar 1 n. Chr. was XI. Dit toenemen van de epacta met 11 gaat met ieder jaar door. Omdat echter de ouderdom van de maan, zooals gezegd, niet meer dan XXX kan bedragen, trekt men 30 af, als de epacta grooter wordt. Bij den aanvang van een nieuwen maancirkel voegt men 12 in plaats

van 11 toe, wat men aanduidt als den maansprong. Het houdt verband met het feit, dat men de epacta na ieder jaar met 11 in plaats van met 10,8829 dagen vermeerdert, waardoor men in 19 jaar 2,2249 dagen te veel toevoegt. Aan den anderen kant laat men telkens 30 dagen weg, terwijl de synodische maand slechts 29,5306 dagen is. In 19 jaar gebeurt dit 7maal, waardoor 3,2858 dagen teveel weggelaten worden. Ten slotte laat men dus 3.2858 — 2.2249 = 1.0609 dagen te veel weg, welke fout door den maansprong voor het grootste deel wordt opgeheven. Om de rest van de fout op te heffen,had men na 312 jaren de epacta met 1 moeten vermeerderen. Deze correctie, waarmede men zich voor de Gregoriaansche kalenderhervorming nooit heeft ingelaten, heet de maanvereffening der epacta.

Bij het invoeren van deze hervorming trachtte men ook deze epacta-rekening te regelen. Dit geschiedde in tweeërlei opzicht. Vooreerst nam men als zetel van de epacta den l8ten Januari aan en in de tweede plaats hield men nu rekening met de veronachtzaamde vereffening van de maan. Daar men als beginjaar van een maancirkel een jaar had gekozen, waarin de eerste nieuwe maan op den 23sten Januari viel, was de maan op den l8tcn Januari 8 dagen oud.' Daarbij kwamen 3 dagen voor de maanvereffening tusschen het jaar 1 v. Chr. en 1582 n. Chr.. Wel had zij in dien tijd eigenlijk 5-maal in rekening gebracht moeten worden, maar noch de oorspronkelijke epacta-rekening, noch het bepalen van de intrede van de werkelijke nieuwe maan ten tijde van de kalenderhervorming was erg nauwkeurig, waaruit valt te verklaren, dat men de fout in de epacta op 3 dagen stelde. Men behield dus den ouden, met het jaar 1 v. Chr. aanvangenden maancirkel, maar stelde den zetel der epacta op den l8ten Januari en bepaalde de epacta voor het eerste jaar van den maancirkel op XI. Om deze Juliaansche epacta, welke met de oude epacta niet veel meer dan den naam gemeen heeft, voor een bepaald jaar te bepalen, heeft men slechts zijn volgnummer in den loopenden maancirkel, het gulden getal te kennen. Om dit voor een bepaald jaar J te vinden, bedenke men, dat de eerste maancirkel met het jaar 1 v. Chr. begon. Men vorme dus de som J + 1 en deele deze door 19; de rest is het gulden getal; is zij 0, dan is het gulden getal 19. Heeft men het gulden getal gevonden, dan vindt men de Juliaansche epacta uit onderstaande tabel:

Gulden Juliaansche Gulden Juliaansche

getal. epacta. getal. epacta.

1 XI 10 XXIII

11 I

2 XXII 12 XII

3 III 13 XXIII

4 XIV 14 IV

5 XXV 15 XV

6 VI 16 XXVI

7 XVII 17 VII

8 XXVIII 18 XVIII

9 IX 19 XXIX

Daar nu bij de invoering van den Gregoriaanschen kalender 10 dagen uit de datumtelling uitvielen, is

Sluiten