Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepalen zich hoofdzakelijk tot het hoofd. De meest eenvoudige versiering van dezen aard, bestaat in het e p i 1 ee r e n, hetuittrekken van de wenkbrauw -en baardharen met behulp van de vingers, van een pincet of van een kleinen tang. Het komt veelvuldig voor in Amerika en Afrika en wordt ook elders wel aangetroffen. In tegenstelling tot ons scheren en h aarsnij den is het een versiering van blij venden aard, daar de haargroei er door wordt vernietigd. Omtrent de beweegredenen, welke tot het epüeeren leiden, bezitten de inboorlingen gewoonlijk geen afdoende verklaring. Somtijds wordt als reden opgegeven, dat men daarna beter zou kunnen zien.

Een rechtstreeksche misvorming van het hoofd beoogt de zoogenaamde deformatie. Men dwingt den nog vervormbaren kinderschedel door hem tusschen planken te binden, door vastbinden en insnoeren aan het hoofdeinde van de wieg en andere dergelijke middelen, een bepaalden vorm aan te nemen, die hier rolvormig uitgerekt, daar weer kort en breed samengedrongen is. Deze deformatie wordt of werd aangetroffen in vele deelen van N. en Z.-Amerika (Flatheads, Tsjinoek, Azteken en alle omwoners van de Mexicaansche Golf), bij verschillende Andesvolken (Peru, Chilcha, Bolivia); verder op Celebes, de Philippijnen, in Oud-Frankrijk, Oud-NederOostenrijk, het oude Zwitserland enz. De oorsprong van deze zede moet wellicht gezocht worden in een trekkende levenswijze, welke het noodig maakte om het hoofd van het kleine kind aldus vast te binden, ten einde het tegen letsel te beschermen.

Zeer sterk verbreid zijn de sierlitteekens en het tatoeëeren, welke beide wijzen van versiering in zooverre verwant zijn, dat als uitgangspunt voor beide elke wonde kan dienen. Sierlitteekens worden verkregen door, onder gebruikmaking van een kleurstof, het lichaam eenvoudig herhaaldelijk op dezelfde plaats in te snijden. Bij het tatoeeeren brengt men met behulp van een fijnpuntig instrument of ook van een naald enz. een kleurstof (kruit, plantensappen, roet enz.) onder de opperhuid. Vooral een litteeken, in een eervol gevecht verkregen, geeft aanleiding tot kunstmatige navorming en ook tot versierende uitbreiding. Legt men echter op de wonden een afkoelend middel: versche aarde, afkoelende plantensappen enz. dan is daarmede de weg gewezen voor de tatoeëering. De litteekenversiering komt in een tweetal vormen: als knop en als eenvoudig gezwel voor. De knopvormige sierlitteekens ontstaan door kleine stukken van de huid los te snijden. Zij worden aangetroffen bij de Knopneuzen van Z.-Afrika, die daaraan hun naam ontleenen, en bij de Bangala aan den Midden-Kongo. De gewone litteekenversiering zoekt haar kracht minder in den omvang van het litteeken, zooals de knopversiering zulks doet, maar legt meer den nadruk op de teekening: meetkundige figuren, maar ook formeele beschilderingen komen voor. De voornaamste gebieden waarin deze sierlitteekens worden gevonden, zijn O. en W. Afrika. In O. Afrika zijn het vooral de Makonde, de Wamwera, Matambwe, Yao en andere volken van het Rovoema-gebied, in W. Afrika de stammen in den omtrek van den Beneden-Kongo, welke deze versiering toepassen. Ook het binnenland van het Kongo-bekken behoort er toe; Wissmann vond bij zijn onderzoekingen, dat de huid van de Baloeba en de Bosjilange bijna sprekend geleek op en reliëf-geperste pluche. Tatoeage komt bij alle rassen zonder

onderscheid voor. Het meest (Groote Oceaan, Europa) geschiedt het door kleurstoffen met behulp van fijne prikken onder de huid te brengen; de methode van de gekleurde lijnen, waarop boven gedoeld werd, komt bij de Amoer-volken voor. Bij de Dajaks op Borneo drukt men de teekening wel door middel van gesneden matrijzen op de huid; in N.-W. Amerika maakt men een voorloopige schets met koutskool. De motieven voor sierlitteekens en tatoeëeringen zij n talrijk: het zijn merkteekens van de familie, van bloedverwantschap, van den stam, een bewijs van moed bij de puberteitswijding, herinnering aan bepaalde gebeurtenissen, kenmerk van het beroep enz. (Zie ook het artikel Tatoeëren).

Een misvorming, welke eveneens veelvuldig voorkomt, betreft de tanden. Behalve in Afrika, is zij onder de Maleiers verspreid. Bij de Bantoe negers schijnt het kerven van de beide middelste tanden van de bovenkaak oorspronkelijk algemeen geweest te zijn. Het komt thans nog voor onder de Herero van Duitsch Z.-W.-Afrika, tot aan het Victoria Nyansameer. Zeer sterk wordt het aangetroffen in het gebied om het Nyassa-Meer. Fülleborn en Weule vonden er alle verminkingen van de snijtanden, welke slechts denkbaar zijn. Alle vier of alleen de beide middelste onderste snijtanden worden uitgebroken, alle vier of de beide middelste bovenste snijtanden worden scherp gevijld, hier en daar ook de onderste snijtanden; ten slotte worden ook de tandkronen zelf nog gekerfd. De Maleiers vijlen dwarsgroeven in de tanden, welks zij dan met plaatjes goud of ander metaal opvullen; ook worden de tanden wel zwart gemaakt, afgevijld of zelfs de beide middelste bovensnij-tanden (Centraal-Celebes) uitgeslagen.

Een verdere vorm van lichaamsverminking bestaat in het invoerenvan vreemdevoorwerpen in het lichaam. Het meest bekend, wijl gedeeltelijk nog door de blanken zelf toegepast, is het oorsieraad. Evenals bij ons, wordt het ook bij natuurvolkeren gewoonlijk in het oorlelletje bevestigd, somtijds ook daarin vastgeklemd. Daarbij bereiken de ingevoerde voorwerpen hier en daar zeer belangrijke afmetingen. Bij de stammen in de nabijheid van de O. kust van Afrika: de Soeaheli, Mamwera, Makonde enz., gaat het nog slechts om houten schijfjes met een middellijn van een gulden. De Wagogo brengen het reeds tot stevige houten rollen, terwijl de Bakoelia, de Wassonyo en andere stammen uit het gebied tusschen het Victoria-Nyansameer en den Kalima Ndsjaro blokken hout ter grootte van een kleine conservenbus of ook deze zelf in het oorlelletje weten te bevestigen. Hetzelfde doen ook de Moesgoe in het bekken van het Tsjaad- Meer en de Botokoeden in Z.-Amerika. De oude Inca-Peruanen werden om hun reusachtige oorpennen door de Spanjaarden Orejones (Grootooren) genoemd. In het gebied van den Kilima Ndsjaro en aan de O.zijde van het groote, Centraal-Afrikaansche oerwoud steekt men pennen en stiften in den bovenrand van de oorschelp. Ook bij sommige Dajakstammen komt dit voor, hoewel hier nog meer algemeen is (zie het art. Dajalcs) het uitrekken der oorlellen door er zware ringen in te hangen. Het steken van pennen door de neusvleugels is beperkt tot de Erythraeïsche volkerengroep. Oorspronkelijk in Voor-Indië ontstaan, heeft deze zede zich overgeplant naar Voor-Azië en ook naar O.-Afrika, waar zij in den laatsten tijd meer en meer in het binnenland doordringt. Er zijn thans

Sluiten