Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel negervrouwen, welke stiften van zilver, ebbenhout, tin en bamboe in den linkerneusvleugel dragen. Het dragen van vreemde voorwerpen in het doorboorde neusschot is vooral in Amerika en in het Australisch-Melanesische gebied verspreid. De N.-W. lijke Amerikanen droegen in hun septum sieraden van koper, beenderen, schelpen en hout. In Z.-Amerika worden vooral dwars er doorheen gestoken stiften gebruikt, waaraan allerlei hangende sieraden zijn bevestigd. Gouden hangsieraden droeg men in het oude Columbia. In Melanesië en Australië wordt gewoonlijk de septumstift zonder meer gedragen.

Het meest opvallend werkt het dragen van vreemde voorwerpen in de lippen. In het algemeen gaat men daarbij aldus te werk, dat men in de jeugd de lip met een els doorboort en door stroohalmen in de wonde te steken de heeling voorkomt. Door het bijvoegen van halmen, van veerkrachtige bladspiralen enz. wordt de opening daarna zoodanig verwijd, dat er een stift in kan gestoken worden. Daarbij laat men het dan, of men gaat verder en klemt steeds grooter schijven in de opening. Deze schijven steken dan als een snavel naar voren en vallen pas door het verslappen van de spieren, het naar buiten buigen van de kaak en door het slecht worden van de tanden meer en meer naar beneden. Dit gebruik kwam, voor zoover bekend, het eerst op bij de Geesvolkeren vooral bij de Botokoeden in Z.-Amerika, waar beide geslachten een botoque (Portugeesch = stop) in de onderlip droegen. Blokjes, pennen en schijven van licht hout, evenals kettingen van schelpenschijfjes worden gebmikt in de provincie Gran Chaco, bij de Lengoea, de Toba enz., verder bij de oude Abiponeezen, de Suya van het Xingoe-gebied en bij de Borero. Bij de Eskimo's dragen alleen de mannen, bij de N.W.lijke Amerikanen alleen de vrouwen onderlippennen. Al naar de grootte ervan neemt de roem en de maatschappelijke positie van den drager toe. In Afrika ligt een groot gebied, waarin lipschijven gedragen worden, tusschen het Nyassa-Meer en de 0.kust: bij de Wamwera, de Matambwe, Makoea, Makondi, Wayooen de Wampoto dragen de vrouwen zulke houten schijven in de bovenlip. Bij de Mawia, somtijds ook bij de Wa-nwera, wordt naast een bovenlipschijf ook nog een onderlippen gedragen. Volgens Weule bedragen de afmetingen van het pelele (schijf) tot 7 cm. middellijn bij een dikte van 3—4 cm. Een tweede gebied van lipschijfdragers ligt aan de 0.zijde van het groote oerwoud aan den BovenNijl. Hier dragen de vrouwen der Wawira even groote lipschijven als de volkeren aan de Rovoenma, terwijl de mannen zich bepalen tot stroohalmen, waarvan er dikwijls vele in de doorboorde lip gestoken worden. Bij de Borgo, de Mittoe, Loebah en andere volkeren in het gebied van den Boven-Nijl dragen mannen en vrouwen ringen, stiften en spiralen in den neus, de mondhoeken alsmede in de boven- en onderlip. Het verst in de richting van lichaamsverminking brengen het ongetwijfeld de Mesgoe ten Z. van het Tsjaad-Meer. Bij een flink landbouwend volk, dat leemen huizen bouwt van een in Afrika ongekende schoonheid, valt het des te meer op, dat hun vrouwen niet slechts stiften in de neusvleugels, maar bovendien groote schijven in de oorlellen en in de boven- en onderlip dragen. Volgens het zeggen van de mannen beoogt deze verminking minder een poging om een of ander pervers schoonheidsideaal, na te streven, dan wel een middel om door de

verregaande verminking van de schoonheid der vrouwen te voorkomen, dat haar bekoorlijkheden de begeerte van naburige, roofzuchtige stammen zouden opwekken.

De laatste groep van lichaamsverminkingen heeft betrekking op het haar. Dikwijls hangen zij in dit geval samen met praktische behoeften; men bindt het haar op of draait het in een knoop, opdat het den drager niet hinderen zal; of ook, men smeert het in met leem, koemest of olie om ongedierte te weren. Beide wijzen van doen hebben aanleiding gegeven tot tallooze variaties. De sluikharige rassen: Mongolen, Maleiërs en Indianen bereiken in deze richting weinig; de kroesharige Negers, Melanesiërs en Papoea's daarentegen putten een groot gedeelte van hun overigens niet geringe fantasie uit in het geven van allerlei vormen aan hun kapsel.

Luxemburg-, Daar groothertog Willem Alexander, ongeneeslijk aan suikerziekte lijdend, slechts dochters, maar geen zoon bezat, besloot hij den 16den April 1907, in overeenstemming met de regeering, om de troonopvolging aldus te regelen, dat zijn oudste dochter, Marie Adelheid, geboren in 1894, hem, eventueel onder voogdij van haar moeder, zou opvolgen. Een daarop betrekking hebbend wetsontwerp, door den minister van staat Eycken den 4den Juni 1907 ingediend, werd door de Kamer met 41 tegen 7 (socialistische) stemmen aangenomen, waardoor het protest van graaf G. von Merenberg, een neef van den groothertog, kwam te vervallen. Den 14den Maart 1908 werd aan prinses Maria Adelheid de titel van aartshertogin verleend, terwijl haar moeder, groothertogin Maria Anna, op het einde van Maart benoemd werd tot stadhouderes van Luxemburg. In de daaropvolgende maanden verminderde de toestand van den groothertog dusdanig, dat het noodig was om een regentschap in te stellen. Den 208ten November 1908 legde de groothertogin op slot Hohenburg (Beieren) den eed als regentes van Luxemburg af.

Het Wiesbadensche „Landgericht", waarvoor graaf von Merenberg het Huis Luxemburg had gedaagd, om afstand te doen van de in Duitschland gelegen Nassausche familiegoederen, beval den 16den Januari 1909 een overeenkomst aan, volgens welke de graaf een afkoopsom van 1 millioen mark en den titel van prins van Nassau zou ontvangen. Toen beide partijen dit voorstel weigerden wees het „Landgericht" den 278,en Maart den eisch van den graaf af, omdat de Nassausche huiswetten zich tegen zijn aanspraken verzetten. Den 10den December kwam daarop tusschen beide partijen een overeenkomst tot stand, bepalende dat de graaf, te rekenen van af 1905, een jaarlijksch apanage van 40 000 mark zou ontvangen.

De belastinghervorming, waartoe in 1909 de Duitsche Rijksdag had besloten, maakte ook voor Luxemburg het invoeren van gelijkluidende wetten noodzakelijk. In September 1909 werd de Kamer daarom bijeen geroepen.Zij nam de meeste nieuwebelastingwetten na korte discussies aan. Alleen het ontwerp tot belasting van brandstoffen en verlichtingsartikelen vond in het eerst levendigen tegenstand. Ten slotte werd het den 248ten September met 28 tegen 13 stemmen aangenomen, waardoor de invoering van een tolgrens tusschen Luxemburg en het Duitsche Rijk kon vervallen. Den l8,en Januari 1910 traden voor Luxemburg en den lsten April voor Pruisen bepalingen in werking omtrent het aanslaan

Sluiten