Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd een begin gemaakt met den bouw van den weg Nador—Seloean en in Maart 1910 werd overgegaan tot den verderen aanleg van de wegen van Centa naar Tanger en Tetoean.

De militaire bemoeiingen van Frankrijk bepaalden zich tot een strafexpeditie tegen den Berberstam der Saers, wegens den moord op luitenant Meaux. Op diplomatiek gebied werden lange onderhandelingen gevoerd met het Maghzen, met name over de voorwaarden, waarvan Frankrijk het tot stand komen van een leening van 160 millioen francs afhankelijk maakte. Zij werden te Parijs tusschen den minister van Buitenlandsche Zaken, Pichon, en den Marokkijnschen gezant, el-Mokri, gevoerd. De sultan weigerde echter om zich bij haar resultaten neer te leggen. Voor een ultimatum van de Fransche regeering moest hij echter zwichten. Den 4den Maart werd de staatkundig-economische overeenkomst geteekend, waarna den 21sten Maart de onderteekening van de overeenkomst omtrent de leening volgde. In het begin van November 1909 had Frankrijk goedgevonden, dat de liquidatieleening van 90 millioen francs om de particuliere schuldeischers van Marokko te kunnen afbetalen, de voorkeur boven de leening van 70 millioen francs, ten bate van de Fransche expeditiekosten, zou hebben.

Na afloop van den oorlog had Spanje, dat beweerde tot de Rifexpeditie gedwongen te zijn door de aanvallen op den mijnspoorweg, een eisch tot oorlogsschadeloosstelling ingediend. Het Maghzen, dat aan Spanje het recht van ingrijpen steeds had ontzegd, wierp de verantwoordelijkheid voor de onkosten op Spanje en weigerde betaling. Deze houding leidde eveneens tot langdurige onderhandelingen, welke, na een ultimatum van Spaansche zijde, den 15den November 1910 te Madrid tot een overeenkomst leidden, waarbij Spanje o. a. medezeggingschap over de benoeming van de plaatselijke autoriteiten in het Rifgebied verwierf, terwijl het verder de organisatie van de inlandsche politie door Spaansche officieren bedong. Ook verplichtte de sultan zich geen stellingen tegen Ceuta aan te leggen en tot een schadeloosstelling van 190,9 millioen peseta's in een termijn van 75 jaar. Als garantie dienen 55 % van de inkomsten van het Maghzen uit de mijnen. Bovendien mocht Spanje te Melüla een douanekantoor vestigen. Daardoor kwam Spanje, formeel voor den duur van 75 jaar, inderdaad natuurlijk voor goed, in het bezit van een gebied, waardevol door de schatten van zijn bodem.

Frankrijk zette zijn werk van vreedzaam doordringen in Marokko onvermoeid, maar bedachtzaam voort. In Juni 1910 gebruikte generaal Moinier, de aanvoerder van de troepen in de Sjauja, het verschijnen van Ma-el-Ainin, een oude heilige van den Islam, in de provincie Tadla, als voorwendsel om de O.grens van de Sjauja te overschrijden. Den 23Btel> Juni kwam het tusschen de Fransche vliegende colonnes en de partijgangers van Ma-el-Ainin bij de Kasba Sidania, aan den oever van den Oem-er-Bia tot een gevecht, waarin de Marokkijn zware verliezen leed, maar dat ook Moinier noopte naar de Sjauja terug te keeren. In het O. van het land organiseerde generaal Lyautey den eenen stam, het eene dorp en het eene landschap naliet andere en de gouverneur-generaal van Algerië, Jonnart, inspecteerde de aldus georganiseerde landstreek, alsof zij een provincie van Algerië was. Naar het zich liet aanzien,

zouden de economische belangen van Duitschland, dat in de overeenkomst van Februari 1909 de bijzondere staatkundige belangen van Frankrijk in Marokko had erkend, tusschen Frankrijk en Spanje in het gedrang komen.

Op het einde van Februari 1911 veranderde plotseling de toestand. De Sjerarda, een stam, welke N.W.lijk van Fez woonde, overviel eenmahalla van de regeering. Ofschoon teruggeslagen, was hun aanval het sein voor den opstand van de meeste stammen ten N.-W. en Z. van de hoofdstad. Het aanzien van den sultan was zeer gedaald door zijn betrekkingen tot de Franschen, en de stammen waren zeer ontevreden over de onderdrukking door den grootvizier Glaui ondervonden. Mogelijk was ook Fransch geld en Fransche invloed in het spel. Daar het terrein van de vijandelijkheden lag aan den belangrijksten karavaanweg, welke Tanger en Larosj over Ksar el-Kebir met Fez verbindt, werd het verkeer tusschen de beide havensteden en de hoofdstad gestremd. Hetzelfde gold voor de verbinding van Fez met RabSt. De sultan verzamelde alle troepen, waarover hij kon beschikken en zond 2630 man onder bevel van kolonel Mangin en van de andere officieren van den Franschen militairen post te Fez tegen de opstandelingen af. Den 2den en daarna den 7den Maart kwam het tot een treffen. Wel werden zij verslagen en tot Dsjebel Tselfat achtervolgd, maar toch stond de zaak zóó, dat Fez den 12"611 Maart bedreigd werd met een overrompeling van de oproerige stammen. Deze omstandigheid gaf Frankrijk een nieuwe aanleiding om in te grijpen. Den 14aen Maart werden een aantalbesluitengenomen, diein deeerste plaats het bezettingsleger in de Sjauja versterkten met 2000 man infanterie en 2 afdeelingen bergartillerie met snelvuurgeschut. Een ander besluit beoogde de vorming van een nieuw Sjerifijnsch leger, buiten het kader van de politietroepen, gevormd op grond van de Acte van Algeciras. Eveneens werd met het Maghzen een overeenkomst aangegaan, gedeeltelijk tot verschaffing van de middelen voor allerlei dringende zaken, gedeeltelijk tot aflossing van andere schulden, terwijl ten slotte bijna de geheele schuldenlast van Marokko in Frankrijk's handen werd vereenigd. Vooral Spanje protesteerde tegen deze overeenkomst, met name tegen den aanleg van een spoorweg van Tanger naar el-Ksar, waarin het een schending zag van zijn rechten, zooals deze gewaarborgd waren door de Acte van Algeciras, en zijn overeenkomst met Frankrijk van 1904. Den 15den Maart werd een gedeelte van het zomerpaleis van den sultan in brand gestoken. Mangin keerde alleen naar Fez terug; zijn mahalla had hij onder kapitein Brimond moeten achterlaten, omdat de wegen onbegaanbaar waren. Toch scheen de toestand gunstiger te zullen worden; de Sjerarda- en de Beni Utirstammen, welke een hoofdaandeel in den opstand hadden, begonnen onderhandelingen met de regeering over hun onderwerping. Deze onderhandeling liep echter op niets uit, en toen een mahalla van 1000 man en 2 kanonnen, welke Mangin op bevel van den sultan den 26sten Maart van uit Fez tegen den Beni Utir had afgezonden, bij Ras el-Ma een ernstige nederlaag leed, kreeg de strijdlust van de opstandelingen nieuw voedsel en was de toestand weldra onrustbarender dan te voren. Fez was grootendeels ingesloten. Toen de zaken zoo stonden, besloot de Fransche ministerraad den 4den April om een stap verder te.

Sluiten