Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ditieleger de hoofdstad ontruimde. Op den terugmarsch naar de kust werden op alle versterkte punten van den weg bezettingen achtergelaten, in het geheel 600 man, welke als mahalla's van den sultan aangeduid, toch uitsluitend onder het bevel van Fransche officieren en onderofficieren staan. Ook de overige troepen verlieten het land niet, maar werden verdeeld in drie afdeelingen. De eerste, onder generaal Ditte had Mehedija, de tweede onder Dalbiez Mekines en de derde onder overste Branlières had de Sjanja als operatiesteunpunt. Mehedija kreeg een Fransch havenbestuur. Bij Fez entusschen Casablanca en Rabat werd een begin gemaakt met den bouw van een militairen spoorweg, Fez en Taurirt en de N. Marokkijnsche havenconsulaten onderling werden door draadlooze telegrafie verbonden.

Door zijn optreden was Frankrijk inmiddels volop in conflict gekomen met zijn beide mededingers in Marokko: Spanje en Duitschland. Het eerste vreesde, dat het zich door Frankrijk geheel uit Marokko zou zien verdringen, behalve dan misschien uit de waardelooze presidio's aan de N.kust. Daarom was het op zijn hoede. En reeds sedert het einde van April liepen er geruchten,d at het een landing te Larasj voorbereidde. Den 218ten Mei verklaarde de minister van Buitenlandsche Zaken, dat el-Ksar tot de Spaansche invloedssfeer behoorde en men handelend zou optreden als de rust er werd verstoord. Den 4den Juni verschenen voor Larasj een Spaansch oorlogs- en een transportschip, welke den8sten Juni ongeveer 200 infanteristen en mariniers ontscheepten. Reeds den volgenden nacht vertrokken afdeelingen van de politiemanschappen van Larasj en van de Spaansche troepen onder ritmeester Ovilo naar elKsar, waar zij in den morgen van den 10den Juni aankwamen. In de volgende dagen werd hun aantal op 3000 gebracht. Overste Silvestre, de commandant van de Marokkijnsche politie onder Spaansch toezicht, werd belast met het bevel. In een ambtelijke mededeeling verdedigde Spanje deze maatregelen op grond van de onzekerheid,welke in de omgeving van el-Ksar en daar zelf heerschte; de Spaansche kolonie aldaar zou herhaaldelijk op onmiddellijke bescherminghebben aangedrongen. Het optreden van Spanje verwekte overal bevreemding. Frankrijk liet Spanje te Madrid officieel wijzen op zijn verplichtingen tegenover Frankrijk en deed aan de onderteekenaren van de Acte van Algeciras weten, dat het de maatregelen van Spanje weigerde goed te keuren. De vertegenwoordiger van Marokko te Tanger, el-Géblas, eischte in een protest aan de Spaansche regeering de ontruiming van Larasj en el-Ksar en verzocht tegelijkertijd de tusschenkomst van de mogendheden welke de Acte van Algericas geteekend hadden. Deze gaven daaraan echter geen gevolg. Spanje richtte zich in de beide plaatsen in, ontwapende de Marokkijnsche soldaten te el-Ksar, vestigde op de beide oevers van de Loekkos en aan de wegen van el-Ksar naar Fez en Arsila, militaire posten, weigerde een mahalla van den sultan den toegang tot de stad, terwijl het de soldaten daarvan ronselde en schreef eindelijk tot dekking van de kosten in het geheele district belastingen uit. Toen een botsing tusschen Frankrijk en Spanje bijna onvermijdelijk scheen, werd nog juist bijtijds een voorloopige modus vivendi voor el-Ksar gevonden. Men werd het er over eens, datjde Spaansche tabor (bataillon) geen deserteurs meer zou aanwerven, dat Europeanen, voor¬

zien van een machtiging van hun'diplomatieken of consulairen vertegenwoordiger, zich, ook gewapend, vrij in de streek zouden mogen bewegen en dat de Sjerifijnsche mahalla op den linker oever van den Loekkos zou blijven.

Duitschland had tot den l3ten Mei het stilzwijgen bewaard. Toen verscheen in de „Norddeutsche Allgemeine Zeitung" een officieus bericht, waarin Frankrijk gewaarschuwd werd om zijn eigenmachtig optreden niet al te ver te drijven, omdat de schending van de Acte van Algeciras aan de andere mogendheden haar vrijheid van beweging zou hergeven, waarvan de gevolgen niet te overzien zouden zijn. Het scheen, dat Frankrijk besloten was om door te zetten. Toen bracht het avondnummer van de „Norddeutsche AEgemeine Zeitung" van den 30®tel1 Juni de sensationeele mededeeling, dat de Duitsche regeering de kanonneerboot „Panther" naar de haven van Agadir in het Z. van Marokko had gezonden. In een mededeeling aan de mogendheden verklaarde Duitschland dezen maatregel als gevolg van een verzoek van Duitsche firma's in het Z. van Marokko, die, verontrust door een zekere gisting onder de stammen aldaar, aan de keizerlijke regeering om bescherming van leven en eigendom verzocht hadden. De „Panther", welke op de N.W.lijke kust van Afrika kruiste, bereikte den l8ten Juli Agadir; 6 dagen later werd zij, wegens het ondergaan van herstellingen, afgelost door den kruiser „Berlijn", waaraan een week later de kanonneerboot „Eber" werd toegevoegd. Duitschland's „Panther-sprong" werkte electriseerend op de internationale staatkunde. Niemand kon er aan twijfelen of het beoogde het stellen van nieuwe aanspraken. In Duitschland brak een ware jubel los; alleen de sociaal-democraten stonden afwijzend tegenover dit optreden, evenals trouwens de sociaal-democraten in Frankrijk zich tegen het„avontuur", zooals Ja/urès het in „1'Humanité" noemde, van hun regeering verzetten. In Frankrijk verweet men Duitschland het niet naleven van het verdrag van Februari 1909, waarbij het had verklaard ten aanzien van Marokko geen staatkundige belangen te hebben. In elk geval werden tusschen Frankrijk en Duitschland over Marokko thans onderhandelingen geopend. Deze hadden plaats te Berlijn. Voor Duitschland trad von Kiderlen-Wachter, staatssecretaris voor Buitenlandsche Zaken, voor Frankrijk zijn gezant Jules Cambon op. De toestand werd bijzonder hachelijk toen ook de beide bondgenooten van Frankrijk, Rusland en Engeland, beslist partij kozen. Vooral het laatste deed dit op ondubbelzinnige wijze met een oorlogszuchtige redevoeringvan Lloyd-George, den kanselier van de schatkist, op den 21sten Juli gehouden, en 6 dagen later met een verklaring van den minister-president Asquith in het Lagerhuis, dat de regeering niet van zins was om buiten Marokko in W.-Afrika een inmenging in territoriale overeenkomsten te beproeven. In October kwamen de onderhandelingen over het eerste gedeelte van een Fransch-Duitsohe overeenkomst, dat op Marokko zelf betrekking had. tot een einde. DaarinerkendeDuitschlandhetrecht op een staatkundig protectoraat van Frankrijk over Marokko (een tweede gedeelte, handelende over compensaties aan Duitschland door vergrooting van Duitsch-Kameroen met een gedeelte van den Franschen Kongo, kwam den 4den November tot stand). Met Spanje werden de onderhandelingen over een de-

Sluiten