Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

finitieve overeenkomst voortgezet. Einde Maart 1912 bleek echter plotseling dat Frankrijk, op gevaar af van nieuwe botsingen met Spanje, het resultaat dier onderhandelingen niet had afgewacht, maar het protectoraat over Marokko had gevestigd. Eenige dagen daarvoor had het gerucht geloopen, dat de sultan afstand van den troon wenschte te doen, om zich aldus aan de vernedering van de vreemde opperheerschappij te onttrekken. De Fransche gezant te Fez, Regnault, wist hem echter van dit plan, dat de grootste moeilijkheden, ook voor de exploitatie van Marokko door Europeaansch kapitaal, zou veroorzaken, te weerhouden. Het verdrag, waarin het protectoraat is geregeld, werd den 30sten Maart 1912 officieel onderteekend. Het brengt Marokko in dezelfde verhouding tot Frankrijk als Tunis. Artikel I zegt, dat „beide regeeringen eensgezind de invoering van een nieuw bestuur in Marokko beoogen". Artikel II kent aan Frankrijk het recht toe om Marokkijnsch gebied militair te bezetten; daarvoor is voorafgaande mededeeling aan den sultan noodig. De volgende artikelen omschrijven het recht van controle van den Franschen resident-generaal, die de eenig gerechtigde is, in naam van den sultan, met de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden te onderhandelen. De sultan neemt op zich om geen verdrag van internationalen aard aan te gaan zonder voorafgaande toestemming van de Fransche regeering, terwijl het verdrag tevens bepaalt, hoe het finantiëel beheer van Marokko zal worden georganiseerd, ■waarbij den sultan wordt verboden om leeningen te sluiten en concessies uit te geven ionder daarvoor van de Fransche regeering machtiging verkregen te hebben. Met de vestiging van het Fransche protectoraat begint een nieuw tijdvak in de geschiedenis van Marokko, waarin de natuurlijke hulpbronnen van dit land tot behoorlijke ontwikkeling komen en de in vele opzichten Middeleeuwsche toestanden aldaar eindigen zullen. Voorloopig echter zijn er voor de Franschen nog groote moeilijkheden te overwinnen.

Het plan van den sultan, zich naar Rabat te begeven, moest worden uitgesteld, doordat er den 16den April onder de Sjerifijnsche troepen een oproer uitbrak, waarbij o. a. de Jodenwijk geplunderd werd en ook een aantal Europeanen vermoord werden. Wel werd na eenige bloedige gevechten door de Fransche troepen de rust hersteld, maar de onrust en gisting in het land nam voortdurend toe en telkens moesten de Franschen gevechten leveren tegen de stammen rondom Fez, die meer en meer in verzet kwamen tegen de vreemde overheerschers. In het Z. stond weer een tegensultan op, Hiba, die door verscheiden stammen erkend werd. Den 26sten Mei deden de oproerige stammen een aanval op Fez en slaagden er in, destad binnen te dringen. Zij werden wel door de Franschen teruggedreven, maar slaagden er den 29ste" opnieuw in, bij een aanval in de stad te komen. En al moesten zij deze verlaten en bleef de bevolking der stad rustig, toch geraakten de Franschen in een hachelijke positie, daar de oproerige stammen de stad eenige dagenlang nauw ingesloten hielden, tot het de Franschen gelukte hen een gevoelige nederlaag toe te brengen en tot den terugtocht te dwingen. Elders in het land duurt de strijd echter nog steeds voort.

Mausoleum. Dit praalgraf werd niet door koning Mausolus ter eere van zijn gemalin, maar door zijn gemalin voor hem opgericht.

Melati van Java. Zie Sloot.

Merriman, John Xavier, staat dat hij in 1881 te Molteno als predikant optrad, lees: hij werd in 1881 lid van het Kabinet Molteno.

Mexico. In het begin van 1907 ontstonden er wrijvingen met Guatemala, dat weigerde generaal Lima, beschuldigd tot den staatkundigen moord op den voormaligen president van Guatemala, Boxillas, in Mexico te hebben aangespoord, uit te leveren. Ofschoon het niet volledig tot het gewenschte gevolg leidde, was toch het bezoek van den N. Amerikaanschen staatssecretaris Root in October 1907- niet zonder beteekenis. Hij poogde eenerzijds een nauwerenband tusschen de Unie enMexico, als onderdeel van Latijnsch Amerika, te leggen, anderzijds had zijn bezoek het verwerven van een kolenstation aan de Magdalenabaai ten doel. Het laatste werd bereikt, het eerste stuitte af op deh tegenstand, dien het N. Amerikaansche imperialisme in Latijnsch Amerika wekt. De ontmoeting van de presidenten Taft en Diaz, den 16den October 1909, aan de Rio Grande del Porte was dan ook niet meer dan een hoffelijkheid. In de binnenlandsche staatkunde veroorzaakten herhaalde onlusten in de N. lijke provincies Nuevo Leon en Coahuila moeilijkheden. Vooral in den zomer van 1909 maakte een opstand van den gouverneur van Nuevo Leon, die aldus zijn belangen bij de aanstaande presidentsverkiezing meende te kunnen dienen, scherpe militaire maatregelen noodig. Het jaar 1910 was voor de republiek zeer onrustig, vooreerst wegens de staatkunde van de naburige Vereenigde Staten van N. Amerika en verder doordat een partij in het land zelf zich tegen de hernieuwde verkiezing van Diaz als president verzette. In Maart ontstond een geschil met de Vereenigde Staten over de stad El Paso, op een gedeelte waarvan Mexico aanspraak maakte, zich daarbij beroepend op den gewijzigden loop van den Rio Grande. Het geschil, dat eigenlijk reeds 10 jaar in kiem aanwezig was, werd onderworpen aan de beslissing van den rechtsgeleerde Eugéne La Fleur te Montreal, die in het midden van Juni besliste, dat het betwiste gebied tusschen Mexico en de Unie moest worden verdeeld. Deze uitspraak viel gedurende den meest bewogen tijd van de presidentsverkiezing. Reeds sedert Aprü was het met het oog daarop in het land zeer woelig, minder nog om de eventueele herkiezing van Diaz zelf, dan wel om die van den vice-president,fiamon Corral. Een opstand in Juni te Valladolid en te Merida, door de regeering gekenschetst als een oproertje van de Maya-Indianen, moet wellicht beschouwd worden als een agitatie van de Antireelectionisitas, de oppositie tegen de herkiezing van Diaz en Corral. De opstand werd in enkele dagen bloedig onderdrukt; maar ook in de N. lijke provincies gistte het, verschillende leiders van de revolutionnaire beweging te Cananea werden gevangen genomen en wapendepöts in beslag genomen. Diaz en Corral werden den 26Bten Juni herkozen, de eerste voor de 7de maal. Zonder ongeoorloofden dwang van de regeering was dit niet geschied. De tegencandidaat voor den presidentszetel was Francisco J. Madero, beschuldigd van verwekking van oproer, gevangen genomen, maar tegen borgstelling weder op vrije voeten gelaten, waarvan hij gebruik maakte om naar Texas te vluchten. Reeds vroeger had hij een complot tegen de regeering op touw gezet, vooral onder de fabrieksarbeiders van Orizaba, Puebla en

Sluiten