Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Guadalajara. Het oproer zou den 20st'-'n November 1910 uitbreken. De regeering echter, door den uitgebreiden aankoop van wapenen opmerkzaam gemaakt, nam den 15den November de hoofdleiders gevangen, waarbij het te Puebla tot ernstige botsingen met den plaatselijken leider Aquilés Cerdan kwam. Tegen alle verwachting in kon de revolutie in het N. niet spoedig onderdrukt worden. Eerst had de regeering in de weinig bebouwde grensdistricten niet genoeg troepen, daarna bleken deze tegen de revolutionnairen niet geheel opgewassen te zijn. Aldus kwam het tot langdurige gevechten, vooral in de provincie Chihuahua, in het bijzonder bij de plaatsen Ciudad, Guerrere, Pedernales, Ojinoga, Ciudad Juarez en Galeana, waar de regeeringstroepen en de opstandelingen met afwisselend geluk streden. De verkiezingspractijken van de regeering en het verzet tegen het presidentschap voor het leven van den dictator Diaz, deed den opstand in het N., die bovendien van over de Amerikaansche grens financiëele en ook andere ondersteuning vond, veld winnen. De Mexicaansche regeering bezwaarde zich in Februari 1911 daarover te Washington, wat echter geen ander gevolg had, dan dat de Vereenigde Staten tot betere handhaving van de neutraliteit aan de grenzen een belangrijk gedeelte van het landleger samentrokken. De ontevredenheid in Mexico was voornamelijk het gevolg van de willekeur van vele hoogere beambten, alsmede van de economische overmacht van de groot-grondbezitters. In den loop van den strijd zag de regeering zulks ook in, waarom zij vooral op aandringen van den minister van Financiën,Limautour tot talrijke mutaties onder de invloedrijkste staats- en provinciale ambtenaren overging. Deze maatregelen kwamen echter te laat. In Maart en April maakten de opstandelingen zulke vorderingen dat deze bemiddeling van Limactour in April zonder resultaat moest worden afgebroken, vooral omdat de aanvoerder van de opstandelingen door den heimelijken wensch van de Vereenigde Staten naar interventie in zijn eischen gesterkt werd. Deze eischen waren: aftreden van Diaz en Corral, benoeming van den minister van Buitenlandsche Zaken, de la Barra, tot voorloopig president en wijziging van de kieswet. Diaz was aanvankelijk niet genegen het gezag neer te leggen. Toen echter in Mei de kans op onderdrukking van den opstand steeds kleiner werd, verklaarde hij den 8sten Mei, dat hij zou aftreden, zoodra de orde hersteld zou zijn. Maar de nederlaag van de regeeringstroepen op den-elfden en den volgenden dag bij Juarez, gevolgd door het innemen van deze plaats door de opstandelingen, noopte hem om reeds den 25s,en Mei de regeering neder te leggen. Enkele dagen daarna nam hij de wijk naar Europa. De la Barra werd terstond benoemd tot voorloopig president. Madero kwam op den 7den Juni naar de stad Mexico, waar hij n et geestdriftig gejubel werd ontvangen. Den2deD Octtober benoemde het Congres, nadat zijn tegencandidaat, generaal Bernando Reyes zich had teruggetrokken, hem tot president.

De gebeurtenissen sedert het vertrek van Diaz bewijzen, dat Mexico de strenge, maar de rustige regeering van deze krachtige persoonlijkheid nog niet kon missen. Bovendien beteekent het presidentschap van Madero toenemenden invloed van de Vereenigde Staten. Reeds in het voorjaar van 1912 kwam het weer tot ernstige onlusten.

Generaal Oroczo leidde de opstandelingen. Torreon aan den spoorweg van Chihuahua naar Mexico, werd op het einde van Februari ingesloten en slechts met veel moeite kon het na een beleg van 4 weken van levensmiddelen voorzien worden. Ten slotte waren te Torreon 6 a 7000 man regeeringstroepen verzameld. Den 22sten Maart trokken zij op om de aanhangers van Oroczo, die van Chihuahua over Torreon en Zacatecas naar de hoofdstad op marscli waren, tegen te houden. Bij Bermejillo, een uur ten N. van Torreon, kwam het tot een gevecht door een aanval van de revolutionnairen op de spoorwegen van de Federalisten. Zij zonden een locomotief met ontplofbare stoffen op den eersten trein af. Vijf wagens vlogen in de lucht, waarna zij hun kanonnen en mitrailleuses gebruikten. Alle vier de generaals der Federalisten werden gewond; 6 kanonnen en 2 mitrailleuses buitgemaakt, de regeeringstroepen gedecimeerd. Later keerde de kans, en werden volgens een telegram aan den minister van Binnenlandsche Zaken, den 9den April de opstandelingen bij Jojoeta verslagen, met achterlating van 500 dooden. In elk geval maakte dit gevecht geen einde aan den strijd, die met afwisselend geluk werd voortgezet. In de maand Mei werd Emilio Vasquez Gomez tot voorloopig president door de opstandelingen uitgeroepen, moest evenwel spoedig de wijk nemen naar de Vereenigde Staten, daar de aanvoerder van het leger der opstandelingen zich tegen hem verklaard had. Wel leden de rebellen daarna herhaalde nederlagen en bleef de meer dan eens dreigende interventie van de Vereenigde Staten achterwege, maar beëindigd is de strijd (Juni 1912) nog steeds niet.

Montenegro. Door het bijleggen van het Oostenrijksch-Servische conflict werden alle voorschriften uit § 29 van het Berlijnsche Verdrag van 1878, welke de souvereiniteit van het vorstendom beperkten, opgeheven. In ruil daarvoor moest hij echter de annexatie van Bosnië en Herzegowina door Oostenrijk erkennen en Antivari tot een zuivere handelshaven, welke niet mag worden versterkt, verklaren. Een poging van kolonel Gjurovic, in September 1909, om den vorst ten val te brengen, mislukte. In het voorjaar van 1910 begonnen de omvangrijke feestelijkheden ter viering van het 50-jarig regeeringsjubileum van vorst Nicolaas II. Den 28sten November stelde de volksvertegenwoordiging hem voor, om den koningstitel aan te nemen, wat den volgenden dag plaats vond. In Servië toonde men zich daarover niet weinig geprikkeld, omdat de eigen achteruitzetting er in des te helderder licht kwam. Den 14den September kwam er in de samenstelling van het Kabinet-Tomanovie eenige wijziging. Generaal Djurovic trad n.1. op als minister van Oorlog, de voorzitter van den Raad van State, Djuhinovic, als minister van Binnenlandsche Zaken en de voorzitter van de rekenkamer, Yergovic, als minister van Financiën en Openbare werken. In de tweede helft van Februari 1911 scheen het veor een nieuw ministerie-Miuskovic te moeten wijken. Inmiddels liepen de onderhandelingen daarover reeds na 8 dagen vast, omdat Miuskovic den eisch stelde, dat de samenzweerders van November 1907 zouden worden begenadigd en de betrekkingen met Servië hersteld. Als gevolg daarvan werd Tomanovic den 3den Maart in zijn ambt bevestigd. Hetzeltde gebeurde den 23stel1 Augustus op voorwaarde, dat Djurovic als minister van Oorlog zou worden ver-

Sluiten