Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen door Wukoiic, in wiens plaats Dosie minister van Eeredienst werd, terwijl Gregohc, tot op dat oogenblik consul te Skoetari d'Albania, de portefeuille van Buitenlandsclie Zaken kreeg. De veranderingen bij Oorlog en Buitenlandsche Zaken hielden verband met het feit, dat Montenegro moest afzien van den wensch om van djn opstand der Malissoren tegen Turkije gebruik te maken teneinde de aangrenzende deelen van N. Albanië te verwerven. De zending van Lazar Muiskovic naar St. Petersburg om de goedkeuring en den steun van de Russische regeering voor dat plan te verwerven, liep op een weigering uit. Bovendien was het finantiëel niet langer in staat om de duizenden Albaneesche vluchtelingen, welke het te Podgoritza en omgeving maandenlang had onderhouden, nog langer te herbergen, terwijl het ook maatregelen moest nemen om het binnendringen van de cholera van uit N.-Albanië te voorkomen. Met Turkije was de verhouding wegens de gebeurtenissen in Albanië (zie Turkije(A)) nu en dan zóó gespannen, dat een oorlog onvermijdelijk scheen, die echter, waarschijnlijk door den invloed der groote mogendheden, werd voorkomen.

Moore, Thomas, staat: hij werd in 1779 baccalaureus, lees: in 1799.

Moravië (zie de kaart Bohemen, Moravië enz.), een markgraafschap, is een kroonland der OostenrijkHongaarsche monarchie en behoort tot Cis-Leithanië. In het N. grenst het aan Pruisen en aan Oostenrijksch Silezië, in het O. aan Hongarije, in het Z. aan Neder-Oostenrijk en in het W. aan Bohemen. Het beslaat een oppervlakte van ruim 22 000 v. km.

Bodemgesteldheid. Het land bestaat overwegend uit berg-en heuvelland, want in het W., N. en O. wordt het door randgebergten ingesloten, terwijl uitloopers daarvan het land in alle richtingen doorkruisen en alleen in het Z. laagland van eenige uitgestrektheid optreedt. Men kan vier hoogtegordels onderscheiden: 1) de Boheemsch-Moravische hoogten, een terrasland zonder bepaalde ketenen, dat naar het Z.O. en O. o. a. naar de Marchvlakte afhelt; 2) de Sudeten in het N. met den Altvater (1490 m.) en den Grooten Sneeuwberg (1422 m.), die in de Moravische Gesenke steil naar het W. en Z.W. tot de Marchvlakte afdalen; 3) de Karpaten met het op de Hongaarsche grens gelegen Wit Gebergte en het Jaworn kgebergte, waarbij de West-Beskiden aansluiten; 4) het Marsgebergte met zijn zuidelijke voortzetting het Steinitzer Woud, evenwijdig aan de Karpaten.

De hoofdrivier is de March, die rechts de Sazawa, Hanna en Thaya, links de Betschwa en Olsawa opneemt. De Oder, die in Moravië ontspringt, ontvangt er van rechts de Ostrawitza. Meren komen er niet voor, wel een aantal warme bronnen, waaronder zwavel- en zoutbronnen.

Het klimaat is in het algemeen zacht, in het N. echter ruw. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur bedraagt te Brünn 8° C. de neerslag te Brünn 500, bij Mistek 780 mm.

Bevolking. Het aantal inwoners bedraagt 2437 706 of 110 per v. km. Naar de nationaliteit onderscheidde men: 1 727 270 of 71,36 % Slaven, 675 492 of 27,9 % Duitschers, 15 560 Polen en 1536 Kroaten en Serviërs. Naar den godsdienst was de bevolking verdeeld in 2 325 574 of 95,4 % R. Katholieken, 66 365 Evangelischen en 44 255 Joden. Van de bewoners leefden 50 % van land- en boschbouw, 33 % van nij¬

verheid'en mijnbouw, 9 % van den handel en 9,5 % als "ambtenaren of van de uitoefening der vrije beroepen.

Middelen van bestaan. Van de totale oppervlakte zijn 96,94 % vruchtbaar. Daarvan beslaan:

Bouwland 54,79%

Weiden 6,99 „

Tuinen 1,22 „

Wijngaarden 0,55 ,,

Bosch 27,44 „

. De landbouw levert graan, vooral goede tarwe en voortreffelijke gerst, verder aardappelen, peulvruchten, beetwortelen, groenten, vlas, hennep, hop, meekrap, oliezaden enz. De wijnoogst bedroeg in 1900: 199 083 H.L.

De veestapel omvatte in genoemd jaar:

133 285 paarden

789 552 runderen

37 683 schapen

158 744 geiten

455 318 varkens

91 962 bijenkorven

3 120 520 stuks pluimvee

De mijnbouw levert steenkolen (in 1903: 1 597 761 900 kg.), bruinkolen (187 614 400 kg.), ijzerertsen (2 679 600 kg.), grafiet (9 935 900 kg.) en koper (160 300 kg.). Uit vreemde ertsen werden 264 528 600 kg. ijzer gewonnen. Het aantal personen hierbij werkzaam bedroeg 13 209.

De nijverheid staat op een hoogen trap van ontwikkeling. Bovenaan staat de wolindustrie met Brünn als middelpunt. Verder zijn de vlasspinnerij en linnenweverij van veel belang, alsook de beetwortelsuikerfabricage, de brandewijnstokerijen, de bierbrouwerijen, de ijzer- en machinefabrieken, de looierij enz. (1 995 504 H. L.). De handel is eveneens belangrijk. De lengte der spoorlijnen bedraagt 1878 km., der waterwegen 264 km., der telegraaflijnen 4271 km.

Aan onderwijsinstellingen bezit het land 2 theologische seminaria, (Olmütz en Brünn), 1 Duitsche technische hoogeschool (Brünn), 1 Czechische technische hoogeschool, 26 gymnasia en reaalgymnasia, 24 hoogere burgerscholen, benevens een aantal onderwijzersseminaria, vakscholen, 2390 lagere scholen enz.

De inrichting van het bestuur berust op de wet van den 26sten Februari 1861. Volgens deze berust de wetgevende macht bij den keizer en den landdag, waarin naast den Vorst-aartsbisschop van Olmütz en den bisschop van Brünn, 30 afgevaardigden van het groot-grondbezit, 31 afgevaardigden der steden en industrieplaatsen, 6 afgevaardigden der Kamers van Koophandel en Nijverheid en 31 afgevaardigden der plattelandsgemeenten zitting hebben, samen dus 100 leden. Zij worden voor 6 jaar gekozen, rechtstreeks, behalve voor de plattelandsgemeenten. In de Oostenrijksche Kamer van Afgevaardigden telt Moravië 36 leden. Het land is verdeeld in 6 steden met eigen statuut en 34 „Bezirkshauptmannschaften". Aan het hoofd van het bestuur staat de stadhouder te Brünn.

Geschiedenis. In de Oudheid werd Moravië door den Germaanschen stam der Quaden bewoond; ten tijde der Volksverhuizing vestigden er zich verschillende andere Germaansche stammen tijdelijk en in de eerste helft der 6de eeuw verschenen er Slavische

Sluiten