Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de begrootingscommissie van het wetsvoorstel tot oprichting van een Italiaansche juridische faculteit begon de obstructie der Slovenen echter opnieuw. Dientengevolge werd de Rijksraad den 5aen Juli opnieuw verdaagd. In de zomervacantie werden onderhandelingen aangeknoopt om een meerderheid te vormen, welke een regelmatige werkwijze zou waarborgen. In dien tusschentijd viel de 80ste verjaardag van den keizer (18 Augustus), welke met groote feestelijkheden werd gevierd. Te Ischl werd een gedenkteeken voor hem onthuld. Den 5den September leidde de minister-president, vrijheer von Bienerth, besprekingen in om den Boheemschen Landdag weder aan het werk te krijgen en den 208ten September had te Praag een bijeenkomst van een comité van 25 leden plaats, dat een vergelijk tusschen Duitschers en Czechen trachtte tot stand te brengen. In het verder verloop van die maand en in de eerste helft van de volgende.werden achtereenvolgens de verschillende Landdagen bijeengeroepen. Maar reeds den 3den Octobermoestdie van Stiermarken wegens oneenigheid tusschen Duitschers en Slovenen worden gesloten. Eveneens moesten wegens obstructie de zittingen van de Landdagen van Görz, Istrië, Galicië en Moravië worden verdaagd, de laatste na een zitting van 80 uur over een finantiëel ontwerp van de Czechen. De Boheemsche Landdag kon den 308ten September, nadat men het te Praag over de agenda eens was geworden, worden geopend. Een tweetal commissies werd benoemd over de belastingen en de nationale staatkunde, met opdracht om binnen 3 weken rapport uit te brengen. Wel begonnen haar bijeenkomsten eerst den 23sten October, maar zij verliepen in het begin zeer rustig. Bij de besprekingen over de regeling van het taalvraagstuk, en bij die over de schoolwet ontstonden evenwel dusdanige moeilijkheden, dat den 22'<en November de Landdag moest worden verdaagd.

Inmiddels waren den 12del October de delegaties te Weenen bijeengekomen. De Poolsche afgevaardigde, professor Glomhinski, werd benoemd tot voorzitter van de Oostenrijksche delegatie. Nadat de gemeenschappelijke begrooting aangenomen en een annexatie-crediet voor Bosnië en Herzegowina van 180 millioen kronen toegestaan was, werd de delegatie den 1811611 November gesloten. Den 24sten November kwam de Rijksraad bijeen. Pogingen van den minister-president, om gedurende de zitting de Praagsche onderhandelingen over een vergelijk tusschen Duitschers en Czechen te Weenen voort te zetten, faalden door den tegenstand van de laatsten. Ook de behandeling van de voornaamste regeeringsvoorstellen: voorloopige begrooting, handelsverdrag met Servië enz. bleek onmogelijk. De Poolsche fractie eischte n.1. behandeling van het kanalenvraagstuk, terwijl zij aandrong op ontslag van den minister van Financiën, Bilinski, waartegenover de Czechen de volledige reconstructie van het Kabinet wenschten. Den 12dcn December bood von Bienerth dan ook aan den keizer het ontslag van het geheele ministerie aan. Den volgenden dag stond de Rijksdag het ministerie, dat met het voorloopig bewind over de zaken was belast, de belangrijkste zaken, waaronder de voorloopige begrooting, toe, waarop de vergadering den 16den December werd verdaagd.

De keizer droeg vrijheer von Bienerth opnieuw de vorming van een ministerie op. Het werd den 8,,en Januari 1911 benoemd en stelde zich den I7aen

Januari aan den weder bijeengeroepen Rijksdag voor. De positie van het derde ministerie-Bienerth scheen van den beginne af min of meer onzeker. Het feit, dat het minder Duitsche elementen bevatte dan het vorige, gaf de Duitsch Nationale Vereeniging aanleiding tot de verklaring, dat zij haarhouding zou bepalen naar de daden van het ministerie. De vorming van een meerderheid werd daardoor niet weinig bemoeilijkt. De Slavische oppositie trachtte het afdoen van de begrooting tegen te houden, in de hoop aldus een reconstructie van het Kabinet af tedwingen. Toen dan ook de delegaties tegen het einde van Januari te Boedapest bijeenkwamen,konden de besprekingen in de begrootingscommissies niet ten einde gebracht worden. Dit hopeloos vooruitzicht was aanleiding, dat het ministerie besloot om het Huis van Afgevaardigden te ontbinden, wat den 30sten Maart geschiedde. Den lsten April verscheen op grond van § 14 van de grondwet een keizerlijk besluit, dat de begrooting voor het geheele jaar 1911 regelde en machtiging verleende tot het aangaan van een vlottende schuld van 76 millioen kronen, terwijl de meerderheidspartijen niet meer dan 50 millioen hadden willen toestaan. De onderhandelingen met de gemeenschappelijke regeering over de nieuwe legerwet en het militaire recht werden beëindigd (2S> April); bovendien werd er een commissie benoemd om een bestuurshervorming voor te bereiden (22 Mei).

De nieuwe verkiezingen brachten reeds den eersten dag, den 13dcn Juni, de volledige nederlaag van de Christelijk-sociale partij te Weenen en in NederOostenrijk. Van 95 zetels daalde zij tot 76. De Duitsche Nationale Vereeniging daarentegen won 28 mandaten en klom tot 104 zetels. Ook de Duitsche sociaal-democraten en de Czechische clericalen leden verliezen. De afloop van deze verkiezingen dwong in de eerste plaats den Christelijk-socialen minister van Handel, Weiskirchner, en den Poolschen minister van Spoorwegen, Glombinski, tot aftreden (20 en 23Juni). Maar ook minister von Bienerth zag zich, toen hij van de Christelijk-Socialen geen bindende toezeggingen omtrent de vorming van een meerderheid kon verkrijgen, genoopt voor zich en voor het overige ministerie ontslag te vragen (26 Juni). De keizer benoemde den 29sten Juni tot nieuwen minister-president vrijheer Gautsch von Frankenthurn, tot op dat oogenblik voorzitter van de Rekenkamer. Von Bienerth werd stadhouder van Neder-Oostenrijk. Den 29sten Juni werd het ministerie-Gautsch beëedigd, waarop den 17d<"n Juli de nieuwe zitting van den Rijksraad geopend werd. Een pijnlijken indruk maakte den volgenden dag het verbod van de regeering om Argentijnsch vleesch in te-voeren tot verlaging van de hooge vleeschprijzen en vermindering van den vleeschnood. Later, bij de behandeling van een voorstel om de bespreking van den vleeschinvoer dringend te verklaren, bleek, dat de regeering door overeenkomsten, onder het ministerie-Beek aangegaan en door minister Weiskirchner goedgekeurd, aan de toestemming van de Hongaarsche regeering gebonden was. Deze, op staatkundige overwegingen berustende weigering van Hongarije, gevoegd bij de abnormale prijsstijging van bijna alle levensmiddelen, leidde op Zondag den 17den September te Weenen tot een oproer. Verschillende openbare en particuliere gebouwen werden beschadigd. Ten slotte rukten de troepen uit, en kwam het tot

Sluiten