Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welijks in om zijn grenzen in de breedte of de lengte en nog veel minder om de hoogte, waartoe het zich boven de boven-carbonische of permische zee verhief, te bepalen. Bovendien hebben bij de vorming, zoowel van de oudere, als van de jongere plooiïngsgebergten ook nog andere dynamische processen, vooral verzakkingen en overelkanderschuivingen een groote rol gespeeld, waarvan de beteekenis echter niet steeds terstond kan worden vastgesteld.

De plooüngsprocessen hebben de aardkorst in de verschillende perioden niet steeds even sterk of over dezelfde uitgebreidheid getroffen. De oudste plooiing welke de sterk verspreide, gedeeltelijk zeer intensieve storingen in de kristallijne grondgebergten heeft veroorzaakt, kan over de geheele aarde, voor zoover er kristallijne gesteenten aan den dag treden, worden aangetoond. De carbonisch-permische plooiing echter, welke in Europa het reeds genoemde Hercynisch Bergstelsel schiep, heeft een veel kleiner verbreidingsgebied, ofschoon zij in Azië en Amerika nog over groote uitgestrektheden kan worden aangetoond. Nog meer beperkt in omvang is de jongste gebergte-plooiing, welke na een lange periode van rust in den midden-krijttijd begon en haar hoogtepunt bereikte in het jong-tertiaire tijdvak. De Alpen en vele andere hooge ketengebergten in Europa, Azië en Amerika danken aan haar hun ontstaan. In het algemeen zijn de gebergten, door deze laatste groote plooiïng gevormd en die zich uitstrekken van den Atlantischen Oceaan door Europa en Azië tot aan den Indischen en den Grooten Oceaan, welken zij omzoomen, beperkt tot een naar verhouding smallen gordel. Het feit, dat oudere plooiïngen een meer algemeene verbreiding hebben dan j ongere moet klaarblijkelijk hieruit verklaard worden, dat toenmaals de aardkorst een geringer dikte bezat dan later en dat vaste massa's, welke de beweging verhinderden, nog niet aanwezig waren; daarentegen was de plooiïng later beperkt tot de zwakkere gedeelten van de aardkorst, welke overgebleven waren tusschen de vaste schollen, die in den loop der tijden meer en meer in afmetingen toenamen. Terwijl in den tijd van de gebergte-plooiïng hooge alpengebergten de aarde omspanden, moeten in de periode van tektonische rust, welke daarop, volgde, ofschoon die rust niet volkomen was, de niveauverschillen tengevolge van de nivelleerende werking van den atmosferischen neerslag kleiner zijn geworden; reeds op het einde van het permische tijdvak was het grootste gedeelte van het Hercynische Bergstelsel bijna geheel met het omringende land gelijk geworden. De rangschikking van de vulkanen op de oude vastelanden of op den bodem van voormalige zeeën volgt in het algemeen uit de verspreiding van de vulkanische gesteenten.

Bijzondere moeilijkheden voor de palaeogeografie houden verband met de palaeoklimatologische onderzoekingen. De studie van de planten- en dierenwereld der verschillende geologische formaties heeft geleerd, dat niet slechts sedert den krijttijd verschillende klimaatgordels op aarde aanwezig waren, maar dat reeds in de oude formaties, naast typen, zooals men hen slechts uit de tropen kent; ook planten en dieren optreden, welke thans alleen in de koelere gordels worden gevonden. Vooral heeft men den nadruk gelegd op het voorkomen van koralen en van sterk kalk afscheidende organismen, welke in onzen tijd slechts in tropische zeeën leven. Zij ontbreken in de cambrische formatie geheel, maar tre¬

den in de silurische plotseling op alle breedten op. Daaruit heeft men nu afgeleid, dat de cambrische zee voor hun vorming een te lage, de silurische daarentegen een meer tropische temperatuur moet hebben gehad. Men vond echter verder, dat de koralen van de arctisch-silurische formatie dwergvormen zijn. Tot verklaring daarvan wordt er op gewezen, dat zij in den arctischen gordel onder ongunstige klimatologische verhoudingen zouden hebben geleefd. Van den anderen kant kwam men uit het voorkomen van de reusachtige varens, kalamieten en lepidodendrons in de steenkoolformatie van de Zambesi (16° Z. Br.) tot aan het Beren-eiland en Spitsbergen (75—80° N. Br.) tot de slotsom, dat in den tijd van de steenkoolformatie tot op hooge breedten een gelijkmatig warm of in elk geval vorstvrij klimaat op aarde moet hebben geheerscht. Het nauwkeuriger onderzoek bracht echter aan het licht, dat de lepidodendrons in de kolenlagen van de hoogere breedten of niet of alleen in kleinere exemplaren voorkomen en dus eveneens klimatologische dwergvormen zijn. Terwijl men vroeger geneigd was uit de groote verbreiding van sommige diersoorten of ook uit het feit, dat zij, zooals Atrypa reticularis overal voorkwamen, het bewijs voor een overal gelijkmatig klimaat op de geheele aarde in den palaeozoïschen tijd af te leiden, is thans de meening overheerschend, dat in elk tijdvak klimaat-gordels en daarmede samenhangende lucht- en zeestroomingen aanwezig geweest zijn.

De hoek, waaronder de zonnestralen de tropische landstreek en de poollanden treffen, is steeds verschillend geweest. In verband daarmede was de hoeveelheid warmte, welke een gedeelte van de aardoppervlakte ontving, steeds afhankelijk van de geografische breedte. Klimaat-gordels ontstonden dus niet pas in den jura- of krijttijd, zooals men vroeger aannam, alleen waren de temperatuurverschillen toen scherper gemarkeerd. Zulk een versterking van het temperatuurverschil moest optreden, als de temperaturen overal op aarde daalden, vooral echter in den tijd, dat er op hoogere breedten belangrijke hoeveelheden sneeuw vielen. Door de sterkere terugkaatsing van den sneeuwmantel dalen de wintertemperaturen sterk, terwijl in het voorjaar een groot gedeelte van de zomerwarmte gebruikt wordt om sneeuw en ijs te smelten. De temperatuurverschillen nemen daarentegen af, wanneer de temperaturen aan de aardoppervlakte stijgen. Lucht- en zeestroomingen worden sterker, waardoor er sneller en vollediger een temperatuurvereffening tot stand komt. Een gedeelte van de warmte wordt bovendien als latente verdampingswarmte geobserbeerd. Dit alles leidt tot een meer gelijkmatig ofschoon niet volkomen gelijkmatig of eenvormig klimaat op aarde.

Sterk in het oog vallend zijn de temperatuursschommelingen, welke in den voortijd zijn opgetreden. Zij komen hoofdzakehjk in het optreden van uitgebreide gletschers tot uiting. De oudste zoogenaamde Ijstijd, d. i. periode met lage temperatuur, welke met zekerheid schijnt aangetoond te kunnen worden, viel in het beneden-cambrium. Zij trad, voorzoover men thans weet, vooral op in Z. Australië en China. Uit het silurisch en devonisch tijdvak zijn geen zekere_sporen van een ijstijd bekend. Daarentegen wordt'gedurende de devonische formatie voor het N. Atlantisch vasteland, dat zich van Siberië over Noorwegen naar Labrador en Canada uitstrekte, een warm, droog woestijngebied aangeno-

Sluiten