Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, waarin de „old red sandstone", welke thans als karakteristiek voor de woestijnvorming geldt, tot ontwikkeling is gekomen. Ook tegen het einde van de boven-carbonische en permische vorming schijnt over uitgestrekte gebieden van de oude wereld (Europa, Indië enz.) een warm, woestijnachtig klimaat geheers.cht te hebben; daarop wijst de samenstelling van de ijzeroxied houdende zandgesteenten en de conglomeraten van het roodliggende, waarin geenerlei marine fossielen worden gevonden. Nagenoeg tegelijkertijd was een groot gedeelte van het Z.lijk halfrond, van het zoogenaamde Gondwana-vasteland, met ijs bedekt. Het strekte zich, door relatiefsmalle zeestraten onderbroken, uit van Australië tot Voor-Indië en over Madagascar en Afrika naar Brazilië. In dit gebied zijn zeer karakteristieke glaciale mergels en grondmoreenen aangetoond. In Afrika konden zij van het Z. af N.waarts tot aan den aequator (Togo- en Kongobekken) en in Voor-Indië en de naburige landen nog verder N.lijk worden aangetoond.jjToch was het vasteland niet overal, maar alleen in de hooggelegen en bergachtige gedeelten met ijs bedekt. In Voor-Indië en Australië reikten de gletschers, die van het Z. kwamen, tot aan de zee. Het Gondwana-vasteland moet een koud, gematigd klimaat met sterke verschillen tusschen zomer en winter gehad hebben. Dit blijkt ook uit zijn plantenwereld, de zoogenaamde glossopterisflora. Niets wijst op klimaatgordels. Zoowel aan de Europeesche zijde van het Z. tot Franz Joseph-land, als in het gebied van den Grooten Oceaan is in dit opzicht veeleer eenvormigheid waar te nemen. In Europa veranderde het droge woestijnklimaat van de permische formatie in een heet steppenklimaat, dat gedurende de vorming van de bonte zandsteen heerschte. Daarna ontstond er, evenals gedurende de zechsteenvorming, een boreale zee, waarin zich de schelpenkalk vormde, een afzetting, welke tot ver in het Middellandsche Zee-gebied doordrong.

De ontwikkeling van de jura-formatie in Europa leidde tot het aannemen van drie verschillende gebieden in de plantenwereld: het Russische, het Middel-Europeesche en het Z. Europeesche, waarbij zich de zeefauna van jura-afzettingen buiten Europa aansluiten. Neumayer vond nu bij een nader onderzoek van deze fauna's,datmendrieklimaatgordelskan onderscheiden: een aequatoriale juragordel, 30° ter weerszijden van den aequator en waarin de zeeën de hoogste temperatuur hadden, verder een N.lijke en een Z.lijke gematigde jura-gordel, waarin de zeeën koeler waren en eindelijk een boreale en een arctische gordel met nog lagere temperaturen. Voor de juistheid van deze opvatting schijnt het feit te spreken, dat de rifvormende koralen in de boreale zöne geheel ontbreken, terwijl zij in de gematigde, maar vooral in de aequatoreale in massa's voorkomen. Andere geologen en palaeontologen ontkennen echter het bestaan van aanduidingen van zulk een verdeeling in klimaatgordels en meenen, dat gedurende de juraformatie een gelijkmatig klimaat op de beide halfronden heeft geheerscht. Het voorkomen van klimaatgordels gedurende den krijttijd wordt thans echter algemeen aangenomen. De krijtafzettingen van Texas, Nieuw-Mexico en van het Middellandsche Zee-gebied vertoonen een massaal optreden van rudistem en rifvormende koralen, terwijl zij in de eeuwenoudevormingeninhetN. van de Vereenigde Staten en van N. Europa ontbreken. Deze verschil¬

len worden het eenvoudigst verklaard door de veronderstelling van een N.lijke en Z.lijke krijtzee van verschillende temperatuur. Over de gesteldheid van het klimaat in beide gordels is men het echter nog niet geheel eens. Men meent, dat er na de jura-periode een afkoeling is ingetreden. Volgens de een is evenwel de wintertemperatuur op breedten als van Middel-Europa niet beneden 4° C. gedaald, terwijl anderen beweren, dat de zee, waaruit het Engelsche bovenste krijt zich heeft afgescheiden, tamelijk koel geweest moet zijn; er zouden ijsbergen in zijn doorgedrongen, terwijl het arctisch klimaat belangrijk koeler was dan dat van Engeland in dien tijd.

Op het in elk geval gematigde klimaat van den krijttijd, volgt in het tertiaire tijdvak, en wel in de eerste plaats in het eoceen, in W. Europa een tropisch of nagenoeg tropisch klimaat. Ook gedurende de periode van het oligoceen waren palmen en altoos groene struiken verspreid tot aan de tegenwoordige Oostzee. En zelfs nog in den aanvang van het mioceen groeiden op onze breedten enkele soorten van palmen, magnolia's, laurieren, myrten enz. en kwamen zelfs op IJsland, Groenland en Spitsbergen platanen en magnolia's naast hoogstammige loofboomen, als olmen, beuken enz. voor. In het laatste gedeelte van het tertiaire tijdvak, het plioceen, hadden zich de tropische en sub-tropische geslachten uit de Middel-Europeesche streken reeds geheel naar de tropische gebieden en de landen om de Middellandsche Zee teruggetrokken. Palmen ontbraken en het hoofdbestanddeel van de toenmalige plantenwereld werd gevormd door onze tegenwoordige planten, vermengd met typen, welke aan de Middellandsche Zee-landen en in het Z. vanN.-Amerikainheemsch zijn. De gemiddelde jaartemperatuur zal 11—12° C. bedragen hebben; overigens waren de klimatologische verhoudingen van het plioceen in MiddelEuropa waarschijnlijk niet belangrijk verschillend van die van den tegenwoordigen tijd.

Het diluviale tijdvak eindelijk bracht voor groote gedeelten van het N.lijk halfrond een uitgestrekte vergletschering met zich mede. Het landijs was beperkt tot N. Europa, N.-Amerika en N.-Azië. In Europa waren ook de Alpen met gletschers bedekt, zooals ook de middelgebergten tusschen deze en het Europeesch landijs, in het bijzonder het Zwarte Woud en de Vogezen, de Harz en het Reuzengebergte. Volgens de meeste geologen wisselden ten tijde van het diluvium in N.-Europa en in N.-Amerika perioden van grootere koude en grootere warmte, zoogenaamde glaciale- en interglaciale tijdvakken, met elkander af. Gewoonlijk worden drie interglaciale tijdvakken aangenomen, waarin dan het klimaat iets warmer zou geweest zijn dan thans. Anderen houden dit diluviale tijdvak voor een eenvormige, niet door interglaciale tijden onderbroken, periode van koude. De zoogenaamde interglaciale vormingen schrijven zij toe aan bewegingen van den ijsrand, voorwaartsche en terugschrijdende bewegingen van de gletschertongen, waarmee het landijs eindigde. Het klimaat van de interglaciale tijdvakken moet dan niet worden opgevat als een algemeene onderbreking van het glaciale, maar is hetzelfde geweest, dat naast en buiten de vergletscherde gebieden heerschte. Het staat ook nog niet vast, of de ijstijd zich over de geheele aarde heeft uitgestrekt en evenmin of hij overal gelijktijdig heeft plaats gevonden, dan wel dat de beide halfronden of mogelijk zelfs

Sluiten