Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillende gedeelten van een en hetzelfde halfrond (Amerika en Europa) na elkander met gletschers bedekt geweest zijn. Men heeft aangenomen, dat in den diluvialen ijstijd op de geheele aarde de neerslag intensiever en aanhoudender is geweest, dat m. a. w. de quartaire vorming in een pluviaal tijdvak heeft plaats gehad. De laatste uitloopers van dit pluviale tijdvak zouden zicli nog tot in het neolithische tijdvak hebben uitgestrekt. In ieder geval is de overgang van het diluviale tot het tegenwoordige klimaat een zeer trapsgewijze geweest. Sedert het begin van den historischen tijd heeft men geen klimaatverandering meer kunnen aantoonen.

Omtrent de oorzaken van de klimaatveranderingen in den voortijd loopen de meeningen en veronderstellingen zeer uiteen. Uit de opeenvolging van miotherme (minder warme) en pliotherme (meer warme) perioden, gevoegd bij de vorming van de groote plooiïngsgebergten, heeft men in de eerste plaats afgeleid, dat de periode van grootste koude samenvallen met die, waarin de gebergten en de landmassa's hun grootste hoogte bereikten, terwijl dan de warmste perioden zouden samenvallen met de tijdvakken, waarin een volkomen niveau-vereffening was tot stand gekomen. Inderdaad werkt de bodemfiguratie aldus op het klimaat in, dat dit bij toenemende hoogte boven den zeespiegel steeds koeler en bij voldoende hoogte glaciaal wordt. Zoo zou een stijging van het N. van Europa en Amerika tot een bedrag van eenige honderden meters tegen het einde van het tertiaire tijdvak de diluviale vergletschering van deze streken kunnen verklaren. Verder heeft men gedacht aan overeenkomstige, maar sterkere schommelingen in de hoeveelheid neerslag, zooals zij volgens verschillende weerkundigen in onzen tijd in perioden van 35 jaar zouden optreden. Tot verklaring van de merkwaardige, door steeds groene loofboomen gekenmerkte arctische tertiaire flora heeft men een afwijkende verdeeling van land en water aangenomen en in verband daarmede een andere richting van de zeestroomingen. Of ook men heeft een verplaatsing van de polen verondersteld. Als de N.pool zich tusschen het einde van den krijttijd en het begin van het mioceen over een afstand van 30° naar N.W. Amerika (Alaska) heeft verplaatst en daarna in het oligoceen weer langzamerhand teruggekeerd is, kwam daardoor de groote, centrale middel-zee in den passaatgordel te liggen. De verhoudingen van luchtdruk en wind waren dan aldus, dat er bij Voor-Indië een O.—W. gerichte zeestroom ontstond, onder den invloed waarvan zich in Groenland en Spitsbergen de bedoelde boomflora ontwikkelde. Anderen nemen ter verklaring van overeenkomstige verschijnselen in oudere tijden hun toevlucht tot nog grootere verplaatsingen van de polen .Opgemerkt dient echter te worden, dat zulke verplaatsingen alleen een verschuiving van de klimaatgordels kunnen verklaren, maar dat een algemeen verbreide en overal gelijk gerichte klimaatverandering daardoor niet mogelijk is. Daarenboven moesten dan in de poolstreken van de verschillende perioden glaciale verschijnselen zijn opgetreden, welke tot nu toe noch in het tertiair, noch in het jura of trias zijn waargenomen.

Van de tellurische oorzaken voor klimaatveranderingen kunnen alleen wijzigingen in de aardsche atmosfeer in aanmerking komen. Men heeft in de eerste plaats gedacht aan uitbarstingen van tertiaire

en diluviale vulkanen, welke geweldige massa's stof en asch hadden uitgeworpen, die, gesteund door tot op groote hoogten uitgestooten gas- en dampmassa's, de zonnestraling gedurende langen tijd belangrijk onderschept en daardoor ingrijpende meteorologische storingen veroorzaakt zouden hebben. Was dit inderdaad zoo, dan moest, om in het quartair de verschillende, door interglaciale perioden gescheiden ijstijden te kunnen verklaren, een tamelijk regelmatige, intermitteerende vulkaanwerkzaamheid worden aangenomen. Bovendien kan worden aangetoond, dat door vermeerdering van de hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer, de temperatuur aan de oppervlakte van de aarde stijgt. Intusschen kan echter de hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer eerst toenemen, als door andere oorzaken de temperatuur is gerezen. Het is mogelijk, dat dit door vermeerdering van het koolzuurgehalte van de lucht kan plaats vinden. Arrhenius legt daarop den nadruk. Hij toonde proefondervindelijk aan, dat bij toenemend koolzuurgehalte de atmosfeer meer zonnewarmte absorbeert, terwijl tevens de warmte-uitstraling van den bodem afneemt. Daarentegen neemt bij afnemend koolzuurgehalte de warmte-uitstraling in de wereldruimte toe, waarmede een daling van temperatuur gepaard gaat. Bij standvastige zonnestraling zou dus een afwisselend koolzuurgehalte van de atmosfeer met een daarmede correspondeerende schommeling in de verwarming daarvan gepaard gaan. Volgens Arrhenius zou een daling van het koolzuurgehalte van de lucht, dat thans gemiddeld 0,03 volumeprocenten bedraagt, tot 0,02 % de gemiddelde temperatuur in de gematigde zSne met ongeveer 5° C. doen dalen, terwijl een stijging tot de dubbele waarde (0,06%) zelfs voor de poolstreken een toeneming van de gemiddelde temperatuur met ongeveer 8° C. zou ver oorzaken. Arrhenius verklaart nu het warme klimaat van het N.lijk halfrond gedurende het tertiaire tijdvak uit de geweldigehoeveelhedenkoolzuur,welke destijds devulkanischeuitbarstingenindeatmosf eer brachten. Omgekeerd ziet hij in het vermeerderd verbruik van koolzuur door de buitengewoon weelderige tertiaire vegetatie en door een vermeerderde karbonaatvorming de voornaamste oorzaak voor de omvangrijke ijsvorming, welke met het quartaire tijdvak begon. Frech wendt deze koolzuur-hypothese ook aan tot verklaring van de klimatologische verhoudingen in het steenkooltijdvak. Hij neemt aan, dat er gedurende het devonisch tijdperk, op een tijd van verhoogde vulkanische werkzaamheid een weelderige plantengroei en daarmede gepaard een sterk koolzuurverbruik is gevolgd, waarna de permocarbonische ijstijd zou zijn opgetreden. Was de opvatting van Arrhenius onaanvechtbaar, wat echter van verschillende kanten wordt betwijfeld, dan moesten warme klimaat-perioden steeds samenvallen met een verhoogde vulkanische werkzaamheid en omgekeerd ijstijden met perioden, waarin zij niet of bij uitzondering voorkomt. Zulks is echter niet het geval, zoodat naast morfologische en algemeen tellurische oorzaken ook kosmische factoren bij de vraag naar de geaardheid van de geologische klimaten een meer of minder belangrijke rol zullen hebben gespeeld. Zooals bekend, zijn de elementen van de beweging der aarde aan zekere, periodieke veranderingen onderworpen, welke afhangen van den stand van de aardas en van den afstand van de zon. Met de verandering van den hoek tusschen den aequator en

Sluiten