Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ecliptica, veranderen inderdaad de klimatologische verhoudingen op aarde, ofschoon niet zeer belangrijk. Deze hoek bedraagt thans 23° 17'. Heeft hij over 8—10 000 jaar zijn kleinste waarde bereikt, dan zijn de zomerdagen op onze breedte 25 minuten korter, de winterdagen evenveel langer dan thans. De zomertemperatuur zal dan gemiddeld V2° C. lager, de wintertemperatuur evenveel hooger zijn. Voor een 'vergletschering zou dat ongetwijfeld gunstiger zijn dan de tegenwoordige toestand. Omgekeerd zou een maximale waarde van dien hoek gepaard gaan met een temperatuurstijging op hoogere breedten. Ofschoon deze factoren invloed kunnen uitgeoefend hebben, zijn zij toch niet in staat belangrijke klimatologische schommelingen te verklaren. Veel grooteren invloed hebben de veranderingen in de excentriciteit van de aardbaan en de praecessie van de aequinactiën. Is de waarde van de excentriciteit minimaal (0,00331), dan verschilt de aardbaan niet noemenswaard van een cirkel en is het verschil tusschen peri- en apheliumafstand gering. Is zij echter maximaal, dan bedraagt het verschil ruim 3 millioen geografische mijlen. Het halfrond, dat zich in zulk geval gedurende den winter in het perikelium bevindt, heeft een korteren en warmeren winter dan wij thans en een langen en koelen zomer, m. a. w. een zacht klimaat tot op hooge breedte. Het halfrond echter, dat in het ophelium winter heeft, zal in den loop van den tijd steedts meer warmte verliezen en eindelijk wellicht met een sneeuw- en ijslaag bedekt worden, welke zich tot op lage breedten uitbreidt. Volgens deze opvatting moeten gedurende een periode van een excentriciteitsmaximum binnen een betrekkelijk kort tijdvak ijsvormingen op beide halfronden elkander herhaaldelijk hebben afgewisseld. Want door de praecessie veranderen de astronomische verhoudingen in den loop van perioden van 10 600 jaar zoodanig, dat de toestand, welke eerst op het eene halfrond heerschte, daarna op het andere optreedt. Zulk een betrekkeüjk snelle opeenvolging van ijstijden op de beide halfronden kent men echter niet.

De mogelijkheid bestaat verder, dat veranderingen in de intensiteit van de zonnestraling een belangrijke rol gespeeld hebben. Dubois heeft reeds vroeger de veronderstelling geopperd, dat de zon zich tot aan het einde van den krijttijd in het stadium van een witte ster heeft bevonden. Daarmede zou niet alleen een grootere helderheid, maar tevens een grootere warmtestraling verbonden geweest zijn. Tengevolge van afkoeling schommelt zij reeds sedert het einde van het tertiaire tijdvak tusschen het stadium van een gele en dat van een roode ster. Uit deze schommelingen zouden de afwisselende glaciale en interglaciale tijdperken van het quartaire tijdvak kunnen worden verklaard. Om ook de andere ijstijden te kunnen verklaren, bedenke men, dat volgens nieuwere onderzoekingen de schommelingen in de intensiteit van de zonnestraling van 1903—1908 meer dan 5 % bedroegen. Wellicht kunnen zij tot bedragen van 20 en 30 % stijgen. Door zulke sterke en langaanhoudende veranderingen in de stralingsintensiteit van de zon, welke zich na lange perioden herhalen, zouden ook de klimaatschommelingen van den ouderen voortijd verklaard kunnen worden. Misschien ook zijn de periodieke zonnevlekken van beteekenis. Brückner wees op klimaatschommelingen met een periode van 35 jaar, welke in een afwis¬

seling van natte en koude en warme en droge jaren tot uiting komt. Zij treden voor de geheele aarde tegelijkertijd en in het algemeen ook in denzelfden zin op. Haar oorzaak is nog onbekend, maar het schijnt alsof zij in verband staat met de zonnevlekken, voor wier afwisseling van absolute maxima en minima onlangs een periode van 33—35 jaar is gevonden.

Het meest waarschijnlijk is, dat geen van de genoemde oorzaken alleen en uitsluitend voor de klimaatveranderingen van den voortijd verantwoordelijk is, maar dat zij aan een samenwerking daarvan, ondersteund door de nog heden bestaande meteorologische klimatologische invloeden toe te schrijven is. Bij het toepassen van de resultaten van het palaeoklimatologisch onderzoek op de palaeogeografie stuit men nog op verdere moeilijkheden. De glaciale afzettingen kunnen niet steeds met zekerheid van de zoogenaamde pseudo-glaciale vormingen, die aan tectonische invloeden moeten worden geweten, worden onderscheiden. Geheel onzeker zijn de gevolgtrekkingen, welke men uit het karakter van de planten- en dierenwereld omtrent de klimaten van de vroegere perioden heeft gemaakt. De veronderstelling, dat verwante vormen onder dezelfde of overeenkomstige verhoudingen moeten leven, kan niet worden gehandhaafd. Integendeel, bij een geheele reeks van organismen zijn in den loop van den tijd zeer vèr strekkende acclimatisaties voorgekomen. Zoo lang de wetten van de klimatologie voor onzen tijd nog niet met zekerheid bekend zijn, zullen alle bespiegelingen over vroegere tijden een zekere mate van onzekerheid bezitten. Zoo zal dus de reconstructie van oude zeeën en vastelanden, welke op grond van zoogenaamde,,leit"-fossielen wordt ondernomen, wel nauwelijks een oplossing van de verdere vraagstukken mogelijk maken. Te bedenken valt, dat petrografisch gelijke of overeenkomstige afzettingen, waarin hetzelfde ,,leit"-fossiel wordt aangetroffen, daardoor nog niet noodzakelijk in denzelfden tijd behoeven te zijn ontstaan. Ook vroeger zullen, evenals thans, de planten- en dierenwereld den invloed van klimatologische verhoudingen ondergaan hebben en zullen zij zich, zonder wezenlijke verandering van het soortencomplex en van de begrenzing der zeeën, hebben verplaatst.

Palaeolitisch beteekent hetzelfde als palaeozoïsch. Staat: (zie Palaeontologié), lees: (zie Geologische jormatie).

Panama. In 1908 werd generaal José Domingo de Obaldia voor den tijd van 4 jaar gekozen tot president. Hij overleed echter reeds den l8ten Maart 1910. Zijn opvolger, de voormalige vice-president, Carlos A. Mendoza, was een beslist tegenstander van de Vereenigde Staten van N. Amerika. Daarin vond de Amerikaansche zaakgelastigde aanleiding om in December 1910 vóór de definitieve presidents-verkiezing, te verklaren, dat de Unie Panama zou annexeeren ingeval er een anti-Amerikaansche president zou worden gekozen. Wel is waar werd de zaakgelastigde terug geroepen, maar inplaats van Mendoza werd toch voor de rest van Obaldia's ambtsperiode Pablo Arosamena als president aangewezen. De grensgeschillen met CostaRica, welke bijna een eeuw duren, werden onderworpen aan een scheidsrechterlijke uitspraak. Scheidsrechter werd de chief justice fuller van het Bonds-Hooggerechtshof van de Vereenigde Staten. In 1912 wtrd Porras tot president gekozen.

Sluiten