Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn functie van minister-president en vervangen door Samsam ed-Dauleh. Aangeklaagd wegens hoogverraad, zou hij zeker gevangen genomen zijn, wanneer hij zich niet onder Russische bescherming had gesteld.Het nieuwe ministerie stelde op het hoofd van den ex-sjah een prijs van 250.000 en op dat van zijn beide broeders: Salar ed-Dauleh en Sjoea es-Saltane van 60.000 gulden. Enkele dagen daarna sprak het Sjiitisch geestelijk opperhoofd te Nedsjef den banvloek tegen hem uit, waardoor hij voor alle geloovigen in Perzië onrein en vogelvrij werd.

Den l8ten Juli was eindelijk de eerste regeeringsexpeditie tegen den ex-sjah onder serdar Mohi van Teheran vertrokken. Zij had den moeilijk begaanbaren bergpas van Firoeskoeh bezet, waarna het in de volgende weken tot een aantal gevechten in Masenderan kwam. Weliswaar verliepen zij met afwisselend succes, maar zij gaven Mohammed AU toch gelegenheid om bijna alle kustplaatsen aan de Kaspische Zee te bezetten, terwijl de linkervleugel van zijn leger onder aanvoering van serdar Arsjad ed-Dauleh over Damgan, Semnan en Aradan in de richting van Veramin voortrukte. Den 30Bten Augustus kwam serdar Behadoer eindelijk met zijn Bachtiaren te Teheran aan. Met deze en met de troepen van de hoofdstad trok de Armeniër Jefrem, commissaris van politie te Teheran, die voor deze gelegenheid tot opperbevelhebber benoemd was, op tegen serdar Arsjad. Bij Veramin kwam het den 5del1 September tot een beslissenden slag. De opstandelingen werden volledig verslagen en 300 man, waaronder Arsjad, die gewond was, werden gevangen genomen. Arsjad werd den volgenden morgen doodgeschoten. Daar een tweede legerafdeeling van den ex-sjah, waarbij hij zelf zich bevond, bij een derde poging om de versterkte stellingen van de regeeringstroepen bij Firoeskoeh te nemen, den 28sten Augustus eveneens verslagen was, schoot den ex-sjah niets anders over, dan het veld te ruimen. Met 7 begeleiders vluchtte hij naar de Kaspische Zee.

In het W. van het rijk echter was tot aan het begin van September Salar ed-Dauleh aan de winnende hand. De provincies Loeristan en Koerdistan waren bijna geheel in zijn macht. Den 9den September bracht hij den hoofdman der Bachtiaren, emir Moefachcham, die zijn vereeniging met de troepen van den ex-sjah wilde verhinderen, zulk een nederlaag toe, dat hij naar Sultanabad en van daar naar Koem moest terugtrekken. Den 27«ten September kwam het bij Baghisjah in de nabijheid van Novaran tot twee gevechten met Jefrem en serdar Behadoer, die zich na hun overwinningen hadden vereenigd. Solar ed-Dauleh verloor 600 dooden en gewonden, de krijgskas, 12 kanonnen, vele geweren en zijn ammunitie en moest naar Hamadan en vandaar, nogslechts door 600 ruiters vergezeld, den 7den October naar Loeristan vluchten. De nederlaag van Salar edDaulah werkte ook op den toestand in het N.W. terug. Daar waren de Sjasjewennen en de Karadaghers voortdurend voor de zaak van den ex-sjah opgekomen. Onder Modsjaldsjel es-Saltane was deze er in geslaagd om Ardebil te nemen, terwijl Sjoedja edDauleh Tebris nauw had ingesloten. Op de mare van de nederlagen in het W. verstrooiden deze stammen zich en Sjoedsja ed-Dauleh viel den bewoners van Tebris in handen.

Aldus was de inval van den ex-sjah op niets uitge-

loopen. Wel was de kracht der Turkmenen nog niet gebroken en slaagden zij erin om onder leiding van Sjoea es-Saltane serdar Mahi, die opdracht had om hen met 1500 man regeeringstroepen terug te dringen, den 258ten October bij Gjas een nederlaag toe te brengen, maar het scheen toch, alsof in de meeste provincies de rust hersteld zou worden. Rusland zon echter op een nieuwe gelegenheid tot inmenging; zij deed zich weldra voor. De regeering had na de nederlaag van Salar ed-Dauleh bij Baghisjah diens vermogen en dat van zijn broeder, Sjoed, op advies van Shuster geconfisceerd. Toen deze echter door zijn gendarmerie deze vermogens wilde doen inventariseeren, verzette zich de Russische consul-generaal daartegen. Deze inmenging leidde tot een conflict, waarbij de Russische eer werd beleedigd. Rusland eischte verontschuldigingen en toen deze niet werden aangeboden, stelde het een ultimatum. Shuster moest weg. Perzië zou een geldelijke schadeloosstelling betalen en voortaan zouden Engeland en Rusland controle uitoefenen op het aanstellen van buitenlanders bij den Perzischen staatsdienst. Het scheen, alsof de regeering bereid was om toe te geven. Maar het parlement, gesteund door volk en geestelijkheid, wilde van toegeven niet hooren. Rusland nam zijn toevlucht tot nieuwe dwangmiddelen; het zond. troepen. Te Enzeli, te Resjit en te Tebris kwam het tot ernstige botsingen. Te Teheran had een staatsgreep plaats. De regent, daarin door de Bachtiaren, de politie en het staande leger gesteund, zond het parlement naar huis en willigde de eischen der Russen in. Shuster moest in Februari 1912 vertrekken. Of echter de Russische troepen, nu zij N. Perzië eenmaal bezet hebben, spoedig zullen terug trekken, moet twijfelachtig genoemd worden.

Niet alleen met Rusland, maar ook met Engeland, den tweeden onderteekenaar van het Britsch-Russische tractaat van 1907 omtrent Perzië, kwam ditlaatste in moeilijkheden. Op grond van de werkelijke of voorgewende onveiligheid van de handelswegen te Sjira en in Z. Perzië en naar aanleiding van een aanval van de bevolking op het Britsche consulaatsgebouw, deed Engeland tot versterking van de consulaatswachten den 27s,en October 1911 400 k 500man Britsch-Indische troepen te Boesjir landen. Zij werden over Boersjir, Sjiras en Isfahan verdeeld. Voor Rusland was zulks een gereede aanleiding om, zooals reeds boven vermeld, eveneens troepen te zenden. Bovendien richtte het te Choi, in de nabijheid van de Turksche grens, een nieuw vice-consulaat in, dat van een zeer sterke consulaatwacht werd voorzien.

Tusschen Duitschland en Rusland kwam den Hden Augustus 1911 een overeenkomst omtrent den zoogenaamden Bagdad-spoorweg tot stand. In art. 1 van deze overeenkomst verklaart Duitschland, dat het niet de bedoeling heeft om benoorden de lijn, die van Kasri-Sjirin over Isfahan, Jezd en Chach loopt en op den breedtegraad van Gasjik de grens van Afghanistan bereikt, voor zich zelf te zullen streven naar spoorweg-, wegen-, scheepvaart- of telegraafconcessies, noch zulke aanvragen van anderen te zullen ondersteunen. Daartegenover neemt Rusland in art. 2 de verplichting op zich om in N. Perzië de concessie voor den bouw van een spoorweg van Teheran naar Chanekin te verwerven en om dat spoorwegnet aan de Perzische grens aan te doen sluiten aan de lijn Sadidsje—Chanekin, zoodra dit stuk van

Sluiten